Winnende verhalen 2019                

Juryrapport Pauline Slot

Een goed verhaal heeft een schrijver nodig die, als op een mengpaneel in een opnamestudio, alle knoppen op de juiste stand zet. Op een schaal van 1 tot 10 moet de knop 'expliciet-subtiel' zeker boven de 7 staan. Maar er zijn veel meer knoppen: 'stijl', 'psychologie', 'complexiteit', 'geloofwaardigheid' en 'tempo' - om er maar een paar te noemen. 

 

Verhalen die op een van deze punten een knop op 2 hebben staan, redden het niet. Een paar knoppen op 9 of 10 en een paar op 5, 6 of 7: dat kan weer wel. Elke combinatie geeft zijn eigen 'sound'. Zolang de bas niet te zeer dreunt of de treble alles ondraaglijk scherp maakt, kan er veel. Uiteindelijk gaat het om een eigen geluid.

 

Het winnende verhaal, 'Groene vingers' van Jeska Kegels scoort op alle punten hoog. Het is een puntgaaf verhaal, verteltechnisch knap in elkaar gezet, maar ook met een scherp oog voor hoe mensen zijn, en daardoor met een voelbare emotionele lading. Terwijl de knop 'expliciet-subtiel' toch hoog blijft staan.

 

'Kom eraan' van Martijn van Lith is vlot verteld, in een ongebruikelijk perspectief, de tweede persoon. Toch werkt dat hier goed. Het verhaal is niet alleen een kortverhaal, maar ook kort, en toch is dit een geloofwaardig en goed geobserveerd stukje leven dat we even mogen meebeleven. Het einde is open, maar we kunnen wel vermoeden wat er zal gebeuren.

 

De derde prijs gaat naar 'Twee druppels' van Marco van Houwelingen. De kracht van dit verhaal is de psychologie: de blik van de ene tweelingbroer op de andere, en op zichzelf. De dialogen (nog zo'n knop om af te stellen) zijn sterk, en het verhaal heeft een eigen, wat rauwe sfeer - tot het einde echt dreigend wordt. Maar ook hier blijven we weg uit de gevarenzone van het expliciete.

 

Op de vierde plaats staat 'De vrouw van de meubelmaker' van Ann Ryckaert. We volgen hier een subtiel samenspel tussen twee mensen, en dat is goed getroffen. Op het eind wordt er jammer genoeg net iets te veel uitgelegd.

 

'Het bericht' van Joran Simoens sluit hier de rij van prijswinnaars. Dit verhaal bestaat bijna alleen uit een dialoog tussen drie meisjes. Ze delibereren uitgebreid hoe een van hen moet reageren op het appje van een vriendje. Dat levert een geestig verhaal op. Ja, zo kan dat gaan, denk je als lezer. De meisjes zijn soms wat lastig uit elkaar te houden, maar het idee is leuk en met gevoel voor stijl en observatievermogen uitgevoerd. En omdat we niet te weten komen wat de jongen nu precies geschreven heeft, zit het ook met de stand van de knop 'expliciet-subtiel' helemaal goed.   

1.Groene vingers - Jeska Kegels 

Wijdbeens staat Niek in de border, voorovergebogen, met zijn handen in de aarde waar 

hij zojuist een helleborus heeft geplant. Hij kan beter op zijn knieën zitten, zo gaat hij 

nog door zijn rug. Ze buigt zich naar het raam en tikt met haar trouwring tegen het glas. 

Hij hoort het niet. Zoals vaker de laatste tijd, heeft ze het idee dat zijn gehoor 

verslechtert. Ze laat zich terugzakken in haar stoel. Ze moet niet vergeten het tegen 

hem te zeggen, als hij straks binnenkomt; dat hij beter op zijn knieën kan gaan zitten. 

     Een echte tuinier is Niek nooit geworden, al doet hij zijn best. Ze ziet het aan de 

manier waarop hij zich tussen de planten beweegt, bang om iets te beschadigen, alsof 

hij een museum bezoekt. Planten moet je stevig aanpakken. Tuinieren is vernietigen: 

wieden, snoeien, scheuren - je doodt wat oud of overbodig is om iets anders ruimte te 

bieden. 

     Een chaos was het geweest, deze tuin van haar. Geen van hen had er aandacht aan 

besteed. Als het gras te hoog werd, ging Niek er met de maaier overheen en soms 

zaagde hij een tak van een boom, als die te veel schaduw gaf. Dat was tuinieren voor 

hen in die tijd: de grond achter hun huis begaanbaar houden. 

     Voor haar veranderde dat toen hun jongste het huis uit ging. Niemand had haar nog 

nodig, dagen strekten zich uit als een kat in de zon. De verveling maakte haar loom. 

Soms liep ze de hele dag in badjas, om zich pas vlak voordat Niek van kantoor 

terugkwam aan te kleden. 

     Aangetrokken door het frisse licht, ging ze op een lentedag de tuin in. Het gras 

kietelde haar blote voeten. In een hoek vond ze een jonge varen. Het blad nog opgerold 

als de tong van een vlinder, vocht hij om het zonlicht te vangen. Niet eerder had ze de 

schoonheid gezien van een tuin die tot leven komt. 

     Diezelfde dag zette ze haar eerste planten in de grond, astilbe waarschijnlijk, of 

meconopsis, ze lette destijds nog niet op namen. Een week later waren ze dood. 

Schaduwplanten in de volle zon gezet, te ondiep geplant, de kluit niet nat gehouden. 

Achteraf bezien, was het haar geluk geweest. Waren deze planten aangeslagen, dan 

had ze tuinieren gezien als een trucje, haar aandacht niet waard. Nu ging ze de strijd 

aan. Ze verdiepte zich in de theorie, las boeken over plantenrassen en tuinontwerp en 

stelde een aanvalsplan op. De seizoenen erna veroverde ze terrein op zevenblad en 

heermoes. Ze legde borders aan, liet een vijver graven en ze reed tientallen kilometers 

om oude bakstenen op te halen voor een verhoogd plantenbed. Twintig jaar later is de 

tuin haar territorium, waar ze elke vierkante centimeter kent, waar niets ontkiemt zonder 

haar toestemming. 

     Niek komt overeind en stapt behoedzaam uit de border. Hij haalt zijn hand langs zijn 

voorhoofd en laat een veeg aarde achter in het zweet. Opnieuw tikt ze tegen de ruit. Ze 

zwaait met beide armen om zijn aandacht te trekken en hij draait zich naar haar toe. 

Een glimlach breekt door op zijn gezicht als hij op de helleborus wijst. 

     ‘Goed gedaan,’ zegt ze. ‘Maar hij moet nog wel een plens hebben.’ Met handgebaren 

imiteert ze iemand die een gieter leegt. 

     Hij salueert, de grapjas, nog steeds met die grijns op zijn smoel. Als hij het vergeet 

kan hij volgende week een nieuwe planten. De zijborder had al klaar moeten zijn. Zijn 

missie om eindelijk de vijver eens schoon te maken, kan hij zo langzamerhand laten 

varen. 

     Hij steekt zijn arm uit en tikt op zijn pols. Dan neemt hij een onzichtbaar kopje in zijn 

hand, brengt het naar zijn mond en slurpt eruit. Ze knikt. 

     Even later loopt hij de woonkamer binnen met een dienblad in zijn handen met 

daarop de theepot, kopjes en twee petitfours, de hare in de vorm van een hartje. Hij zet 

het dienblad op de salontafel en streelt met de buitenkant van zijn vingers langs haar 

wang. 

     ‘Ja, ja,’ zegt ze. ‘Vleier.’ 

     Dan gaat hij voor zijn stoel staan. Hij draait om zijn as en laat zich, de armen schuin 

naar achteren gestoken, door zijn knieën zakken tot zijn handen de leuningen vinden. 

Kreunend neemt hij plaats. 

     ‘We moeten een nieuwe stoel voor je bestellen,’ zegt ze. ‘Deze wordt te diep voor je. 

Te diep en te laag.’ 

     ‘Het gaat nog,’ zegt Niek. ‘Zonde van een beste stoel.’ 

     Hij reikt naar de kranten die op een krukje voor hem klaar liggen, met een potlood en 

zijn leesbril er bovenop. Je moet minstens twee kranten lezen, zegt hij altijd, om te 

weten wat er echt aan de hand is in de wereld. 

     Hij legt de Telegraaf op zijn schoot, slaat de NRC open en bladert naar het 

cryptogram. Het potlood heeft hij vanmorgen geslepen. Hij krast ermee om de punt af te 

ronden en steekt de achterkant in zijn mond. De woorden die hij direct weet, vult hij 

alvast in. De moeilijkere opgaven leest hij hardop voor. Ze houdt niet van puzzelen, toch 

denkt ze met hem mee. Op sommige dagen is dit het enige gesprek dat ze voeren. 

     ‘Twaalf horizontaal, hoe gaat het met je? Acht letters.’ 

     ‘Kon beter.’ 

     ‘Dat past niet.’ 

     ‘Redelijk.’ 

     ‘Vijf verticaal, nog iets leuks gezien? Drie letters.’ 

     ‘Nee.’ 

     Hij heeft vijf, zes woorden ingevuld als zijn hoofd opzij valt en hij zacht begint te 

snurken. 

     ‘Nico,’ fluistert ze. ‘Niek?’ 

     Hij reageert niet. Hij is ver weg of ergens lang geleden. 

     Ze wendt haar blik af en kijkt naar buiten. Nou heeft hij nog die helleborus niet 

bewaterd. Hij zal de tuin wel niet meer in gaan, vandaag. Dan moet het morgenochtend 

maar, voordat de zon al te hoog staat. Misschien moet ze het voor hem opschrijven. Dat 

hij het niet vergeet. 

     De eerste dagen na het incident bracht ze in bed door. Een arts vertelde haar dat ze 

geluk had gehad en somde op wat ze voortaan niet meer kon of mocht. Buiten rukten 

brandnetels en hagewinde op, trokken naaktslakken binnen om een slachtpartij aan te 

richten in de hosta’s, namen algen de vijver in. Een tuin is een permanent front in de 

oorlog tussen orde en willekeur. 

     Het was Niek die haar kwam ontzetten. Gekleed in een oude spijkerbroek en een 

sweater liep hij de slaapkamer binnen, een schep in zijn ene hand, een snoeischaar in 

de andere. 

     ‘Mijn beurt,’ zei hij. ‘Zeg maar wat ik doen moet.’ 

     Groene vingers had hij niet, zoveel was haar al snel duidelijk. In het begin liet ze zich 

in een tuinstoel midden op het gazon zetten, met een deken over zich heen tegen de 

kou die vooral ’s ochtends nog in de lucht hing. Van daar kon ze het hele slagveld 

overzien, gaf ze aanwijzingen, leerde hem wat hij weten moest om een tuin te 

onderhouden. Na verloop van tijd hoefde ze hem minder vaak te corrigeren. Nu knikt ze 

soms alleen nog maar terwijl hij zijn plannen uiteenzet. 

     Hij schrikt wakker. Zich niet bewust van de misgelopen tijd, trekt hij zijn krant strak en 

neemt het potlood van zijn buik. 

     ‘Eens kijken,’ zegt hij. ‘Acht horizontaal.’ 

     Straks staat hij op om in de keuken een maaltijd voor hen te bereiden. Na het eten 

kijken ze samen naar het achtuurjournaal. Ze drinken een glas port en dan is het tijd om 

zich klaar te maken voor de nacht. De kranten verdwijnen ongelezen bij het oud papier. 

Het is jaren geleden dat hij een cryptogram volledig heeft opgelost. 

     Hij zal haar de trap op helpen naar hun slaapkamer. Zijn gewoel ’s nachts stoort 

haar, daarom heeft hij hun bedden uit elkaar geschoven. Zelf zal hij snel genoeg in 

slaap vallen. Het werk in zijn tuin put hem uit. Zij zal nog lang wakker liggen. Toch weer 

te weinig gedaan, vandaag. 

2. Kom eraan - Martijn van Lith

Je stapt uit de douche, hoort de telefoon. Rustig droog je je af. Je rug, je benen, de voet die je gisteren hebt opengehaald in het zwembad. Het trapje. Een flinke streep over je wreef. Menno vond dat je het zwembad aansprakelijk moest stellen. De schat. Je lachte het weg. Typisch, noemde hij dat.

 

Je hebt net je eerste lens in als de telefoon weer gaat. Je moeder. Het schermpje dooft. Tweede lens erin. Tandenpoetsen, terugbellen. Op het plankje boven de wasbak liggen kleine donkere haartjes. Je blaast ze weg. Opnieuw de beltoon. Die aflopende, rustgevend bedoelde ploinkjes. Fré, zie je op het scherm. Je neemt op. Ze praat snel. Je moet naar mama’s huis, er is haast bij. Zelf zit ze in Frankfurt. Je stelt haar gerust. Geen probleem, je komt eraan. Terwijl jij je nagels knipt vertelt ze wat er is gebeurd. Met het knippertje krijg je net dat zwarte hoekje niet weg.

 

Uit de schuifkast pak je een broek. Je loopt naar het raam en kijkt naar het buurmeisje. Ze fietst de straat uit. Kikkerrugzak, helmpje, de sturende arm van haar moeder. Ze gaan de bocht om, het fietspad op. Het meisje gooit haar stuur om en blijft maar net overeind. Je trekt je broek aan, zoekt je portemonnee. Met een paar sokken in je hand loop je naar de keuken. Happy Socks die je van Menno hebt gekregen. Je vindt ze niet echt mooi. Eerst een kop koffie.

 

Je start de auto, zet je koffiebeker in de houder. Violen en cello’s. Je zucht. Hij en zijn Radio 4. Je draait het volume omlaag, kijkt in je binnenspiegel, dan over je schouder. De achteruitrijcamera gebruik je niet. Langzaam schuift de Renault Captur de straat op. Wanneer je aan het eind rechtsaf slaat, hoor je weer een pingetje. Je kijkt naar je telefoon, die bungelt aan de carkit waar hij eigenlijk niet in past. Het is niet je zus.

 

Bij het hertenkamp is het rustig. Twee kinderen van een jaar of drie steken hun vingers door het hek. Een geit komt aanlopen. Zie je daar een plastic zak bij de voederbak liggen? Een tegenligger toetert. Je steekt je hand op. Even verderop passeer je het buurmeisje en haar moeder. Het is een krokodillenrugzak, zie je nu. Voorbij de muziekschool sla je linksaf. Nog een minuut of tien, dan ben je bij je moeder. Niets aan de hand.

Het appje is van je collega. Hij vond het gezellig gister. Geen knipoog. Je lacht, wilt antwoorden, maar wacht. Rotonde, afremmen tot twintig, terug naar z’n twee. Zo heb je het geleerd, zo doe je het nog steeds. Menno lacht dan, vraagt of je hier gaat parkeren. Voorbij de rotonde reik je toch naar je telefoon. Ik ooj, stuur je. En dan een losse k. Direct de blauwe vinkjes, hij is alweer aan het typen. Twee lachende gezichtjes met tranen, één met een feesthoedje. Voorbij het ziekenhuis naar links. 

 

Een lachende man duwt een rolstoel richting de parkeerplaats. Een vrouw, ze heeft het gezicht van je moeder. Ze kijkt serieus, lijkt haar hoofd te schudden. Wat zei Fré nou eigenlijk? Dat er haast was, oké. Haast alleen is geen reden voor paniek. Ze kan een sleutel kwijt zijn, een schoen niet kunnen vinden. Vorige week belde ze omdat ze in de Lidl stond zonder boodschappenlijstje. Of je dat alsjeblieft kon komen brengen. Daarna dronken jullie koffie bij de bakkerij die zich nu lunchroom noemt. Op het lijstje stond alleen ‘ham’ en vaatwastabletten’.

 

Je voegt in op de lege provinciale weg. Rechts de voetbalvelden, links de tulpen. In de schuur daarachter heb je ooit nog twee weken bollen gepeld. Je kreeg een paar gulden per kratje. Het schoot niet op, je was de langzaamste. ‘Je doet het erg zorgvuldig.’ Jij dacht dat het een compliment was. Even til je je linkervoet op, je sok plakt aan je wreef. Daar had je toch een pleister op moeten doen. Nog een minuut of vijf, dan ben je bij je moeder. Rustig aan. Je schermpje licht op.

 

‘Koffie?’ Een knipoog. Een rood bollenveld schiet voorbij. Er zijn geen tegenliggers, het kan wel even. ‘Kan niet’, typ je. ‘Andere keer graag.’ Een touringcar komt je tegemoet, je drukt je scherm uit. Twee handen aan het stuur. De volgende afslag moet je hebben. Dan twee keer rechts, het wijkje in en een plekje zoeken. De buurvrouw zal voor het raam zitten en naar je zwaaien. De twee zwaantjes in de vensterbank zullen blinken. Je moeder zal de deur opendoen, mopperen waar je bleef en dan vertellen wat er aan de hand is. 

 

Je kunt de afslag al zien, de stippellijntjes in de verte. Je rechterhand ligt klaar, losjes op de rand van je stuur. Ping. Je collega. Zeker weten? Een pruilend gezichtje, een dampend kopje koffie, een stuk taart en drie puntjes. Je beweegt je rechterhand naar je scherm, voelt je schouders ontspannen, de pijn in je voet is even weg. Je antwoordt. 

www.martijnvanlith.nl

3. Twee druppels - Marco van Houwelingen

‘Misschien nog wel lekker,’ mompel ik. Kurt neemt de Sportlife aan. ‘En nog een pakje mondhygiëne,’ zegt hij tegen het meisje achter de kassa. ‘Pomp drie.’ Het meisje kijkt verheugd van mij naar Kurt en weer terug. Ik voel wat er gaat komen. En ja hoor. Ze zegt: ‘Amai, jullie zijn zeker broers of niet?’ Of we broers zijn. Met afstand de domste vraag die je aan een eeneiige tweeling kunt stellen. Kurt neemt zijn pinpas terug en pakt me vol op mijn mond.  ‘Nee,’ fluistert hij onheilspellend richting het stomverbaasde kind. ‘Partners.’ 

Terug bij de auto kijkt Kurt me lachend aan. ‘Het zit er bijna op, piksaus,’ zegt hij, overduidelijk om me gerust te stellen. ‘Kauwgumpie?’

 

In de schemering rijden we de snelweg weer op. Kurt zit naast me aan het stuur te trekken. Een dure zonnebril balanceert op zijn neusrug. ‘Doe effe een muziekje aan, wil je?’ vraagt hij. Op het dashboard zit een labrador me slaafs toe te knikken. Ik geef een tikje op zijn snuit. Het is lang geleden dat Kurt en ik samen iets ondernamen. We zijn langzaam uit elkaar gegroeid. Nooit met ruzies of met haat - het was een onvermijdelijk proces waarin we elkaar langzaam afstootten. “Emulsie,” heeft ma het ooit verwoord. “Die jongens benne van nature onoplosbaar, als water en olie.” Kurt begint vanuit het niets te tieren op het asfalt. Dat we op zo’n ontzettende kutweg aan het rijden zijn. In de zijspiegel zie ik mezelf terug. Soms vraagt iemand ernaar. Je verwacht van twee klonen nou eenmaal niet dat ze verschillen.

 

Ik kijk in de cd-speler en glimlach. Een cd van Bon Jovi. These days.

‘Luister je dit nog?’ vraag ik.

Ik zie het nog voor me. In de woonkamer staan we klaar in dezelfde pyjama’s. Onze blote voetjes in het hoogpolig tapijt. Vier minuten lang schreeuwen we het nummer vol overgave mee in alles dat voorhanden was. Tandenborstels, flesjes, bestek. Later die avond liggen we in ons stapelbed. Het lukt me niet om in slaap te vallen, omdat ik vurig hoop dat Kurt het ook zo goed vond gaan.

Kurt kijkt naar wat ik in mijn hand heb. Hij knikt kort. ‘Tuurlijk man, een klassieker.’

Ik skip naar nummer drie en druk op play. Voorzichtig kijk ik opzij. Het begint voorzichtig. Eerst Kurt zijn wijsvinger die op het stuur mee tikt, dan mijn knokkel ritmisch op het zijraam, onze hoofden die wiegen en voor we het weten blèren we het nummer keihard mee. Samen.

‘Weet je nog?’ roep ik.

Kurt toetert naar een bumperklevende passant en tikt met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd. Het is een ontiegelijke klotebelg, volgens Kurt.

‘Je kan nog steeds niet zingen’, lacht hij dan. ‘Zullen we er hier maar af?’ Kurt neemt de afslag. ‘Ja,’ bromt hij in zichzelf. ‘Dit is wel ver genoeg.’

 

Kurt en ik hebben onze levens verschillend ontvouwd. Ik begin op mijn tweeëntwintigste te werken als rijinstructeur. Het lijkt me een makkelijke manier om geld te verdienen. Een beetje autorijden en ouwehoeren met die kids. Niets meer dan een spookhuis op de kermis. Ze stappen in een volautomatisch wagentje en schrikken zich de tyfus van alles dat beweegt.

De werkelijkheid valt tegen. Ik krijg elke dag een korps jeugdige anarchisten aangeleverd die ik moet zien te temmen tot volwaardige verkeersdeelnemers. Het zijn ellenlange dagen, af en toe opgeschrikt met een bijna-doodervaring. De conclusie die ik nu, zes jaar later, kan trekken, is eenvoudig. Mijn leven is eentonig. Ik sleur het als een zanikend kind mee aan de arm. Ik bén de bijrijderstoel. Ik geef gas, rem wat bij, geef instructies. Maar wat ik vooral doe is verontschuldigen. Sorry! voor de drukke zakenman achter ons als de motor voor de derde keer afslaat, Sorry! voor de studente die haar voorrang bijna tegen onze voorruit opeist, Sorry! voor mijn baas als er weer nieuwe krassen op de bumper zitten. Sorry allemaal jongens. Sorry dat ik besta.

 

Het begint donker te worden. Aan de borden zie ik dat we Oostende binnenrijden. Kurt snijdt bij de eerste de beste rotonde twee fietsers af. De voorste zwaait zijn vuist venijnig boven het hoofd. Ik kijk geschrokken opzij. Kurt ziet het.

‘Sorry menéér’, zegt hij met een aanstellerig stemmetje. ‘Ben ik nu gezakt?’ Kurt schiet hard in de lach en slaat met een vlakke hand op mijn knie. ‘Jij, ouwe druiper! Jij met je luizenleventje! Ik zie je al zitten, jij.’ Kurt gaat er goed voor zitten en schreeuwt: ‘Koppeling rus-tig op laten komen lul! Waarom trek je steeds zo wild je poot eraf? Hé! Mafkees! Het is verdomme geen cobra!” Hij giert het uit. Je nu niet laten kennen, denk ik. Mee lachen. In godsnaam, tanden bloot en mee lachen.

 

De waarheid is dat ik het veel liever zoals Kurt had aangepakt. Kurt begon met een klasgenoot zijn eigen marketingbedrijf: MarkChoise. Het gaat ze meteen voor de wind. Hun eerste klant was een nieuwkomer op de markt van het uniseks parfum. Op de verjaardag van oom Ger demonstreerde Kurt met verheven stem hoe hij de vertegenwoordigers van het parfum had overtuigd. Ik weet nog precies hoe hij daar stond. Op een rieten stoel met een flesje bier in zijn hand. ‘Wat zie ik tegenwoordig in de parfumerie commercials?’ riep hij. ‘Nou? Een mooiboy in een bonenstaak, dát zie ik. Een lekker wijf dat hoelahoepend haar cavia wenkt. En dan: koop ons geurtje. Zo werkt de wereld niet.’ Ik keek naar Kurt zijn bravoure. Hoe hij daar stond, de rug als een zuil, het charisma. En ik besefte opnieuw wat zijn bestaan van mij maakte. Niets meer dan de eeuwige misdruk.

 

Ik zet de radio wat harder om het lawaai te overstemmen. Het lijkt steeds meer toe te nemen. Kurt draait geïrriteerd zijn hoofd om. ‘Wat een kutherrie, verdomme. Zal ik stoppen?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Dat kost tijd. Rijd maar door. Port, daar.’ Kurt gebaart dat ik mijn zonnebril op moet zetten. Hij kijkt ongeduldig. ‘Wát?’ Ik wijs naar het bord dat wordt verlicht door onze koplampen. ‘Port’, herhaal ik. ‘De haven. Ga daar maar heen.’

 

Met mijn zonnebril op draai ik het raampje open. Heerlijk vind ik dat. Thuis doe ik het ook, als ik aan het einde van de avond de laatste puber thuis heb afgezet. Met de koele bries op mijn hoofd scheur ik terug naar huis. Soms kom ik langs het kantoor van MarkChoise. Binnen zie ik het vage licht, de schimmen. ‘Zal ik naar binnen gaan?’ denk ik. ‘Even gedag zeggen?’ Maar ik ga nooit. Thuis zet ik een DVD op die ik maar voor de helft bekijk. Morgen weer vroeg dag. Nog een jaartje, troost ik voor de badkamerspiegel. Nog een jaartje tot ik wat anders heb.

 

Kurt belde me vorige week. Hussan had sinds tijden weer contact met hem gezocht. Of ik er nog een keertje zin in had. Samen pik. Waarom ook niet? We waren toch goed? Ik zei dat ik terug zou bellen. Een uurtje bedenktijd, misschien twee. Even later rookte ik een sigaret op een bankje, aan de rand van het park. Ik herhaalde zijn woorden in mijn hoofd. Samen pik. Bij de tweede sigaret bel ik al terug. Kurt moet aan mijn stem hebben gehoord hoe opgewonden ik was.

We rijden een verlaten haven binnen. Boten in alle soorten en maten deinen gedwee op het water. We stappen uit, zonder een woord te zeggen. De zilte lucht wordt als een mondkap om onze gezichten gebonden. Kurt klapt samen en begint te kokhalzen. Wat een held is het ook. Hij slaat zijn armen wild om zich heen. ‘Jájá’, proest hij uit. ’Jájá, nu weet ik het wel.’ Ik schud glimlachend mijn hoofd en help hem overeind. Kurt spuugt op de grond, pakt dan zijn autosleutels uit zijn zak. ‘Wacht,’ zeg ik. ‘Eerst een sigaretje.’ Kurt loert schichtig om zich heen en kijkt me dan onderzoekend aan. ‘Heb er nog precies twee,’ zeg ik.

 

We leunen tegen de zijkant van de auto. Zij aan zij. Onder ons klotst het water herhaaldelijk tegen de kant. Om ons heen de serene omgeving. De tientallen masten in het maanlicht, de steigers. Alles lijkt hier zo beheerst te bestaan.

‘Weet je?’ zegt Kurt. Er stijgt een rookbel op uit zijn mond. Ik doe mijn zonnebril af en staar naar een vrachtschip in de verte. ‘Als het hier niet zo zou meuren dan zou ik hier best kunnen wonen.’ Kurt legt een hand op mijn schouder en ademt diep in. ‘Gaat al beter.’ Hij moest eens weten, denk ik, dat ik alles, álles zou opgeven om hier te wonen, in dit moment. Ik knik en zet snel mijn bril weer op. Kurt houdt niet van mietjes. Dan klinkt er een gesmoord kabaal vanuit de kofferbak. Kurt draait zijn hoofd. ‘Hé lul!’ sist hij. ‘Ik probeer hier met mijn broer van het uitzicht te genieten.’ Het geluid stopt niet. Ik schiet mijn peuk in het water en duw mezelf omhoog. ‘Kóm,’ zeg ik met een zucht. ‘Dan is het maar gedaan.’

4. De vrouw van de meubelmaker - Ann Ryckaert

Haar man verkocht meubels en soms deed zij dat ook, maar op zaterdagen kuierde ze door het gemeentelijk park terwijl hij hoeksalons en eetkamerstoelen aanprees. Meestal startte ze bij het smalle verdoken paadje naast het smeedijzeren hek, slenterde in de richting van de groep wilgen voorbij de vijver tot ze langs het bruggetje de verweerde kiosk bereikte. Daar wachtte de te hoge houten bank. Vaak had ze - bijna berispend - moeten horen dat ze toch wel erg klein was, maar zelf zat ze daar zelden mee. Ze hield ervan haar voeten te laten bungelen, mijmerend over groeiende grassprieten en plagerig zwevende pluisjes.  

Ook vandaag bewaarde zij de brede laan die het park omzoomde voor het laatst. Hoge bomen zwierden hun bladerdos los zoals zij 's ochtends met haar krullen deed. De zon verfde strepen in de ijle lucht. De vrouw van de meubelmaker keek gulzig om zich heen en vulde de verzameling in haar geheugen aan.

 

Halverwege de laan ritselde er iets bij de struiken.  Ze boog zich traag voorover. Een kleine egel scharrelde ijverig tussen de lage heesters. Ze onderdrukte een kreetje en bedacht wat ze wél kon zeggen. Het diertje reageerde niet op haar zachte woordjes.  

De vrouw van de meubelmaker keek even op naar de jongeman die naderde. Hij vertraagde zijn pas.

‘Kijk’, wees ze.

Hij kwam naast haar staan.

‘Dit cadeautje krijgen wij vandaag.’ Ze bukte en reikte behoedzaam naar een van de egelstekels.

Ze glimlachte. Zijn lippen krulden ook. 

‘Ja,’ zei hij 

Ze lachte nog eens naar hem. Waren zijn ogen groen of toch eerder blauwig? 

De jongen lichtte zijn hand een tikkeltje, traag fladderend naast zijn heup als een schuwe vlinder. Ze knikte en hij vervolgde zijn weg. 

Een beetje verder  keek hij nog eens om. Zij net ook.

De vrouw van de meubelmaker  nam het  egeltje in gedachten mee naar huis en verbeeldde zich dat ze het losliet in haar tuin.

 

De volgende zaterdag zag ze de jongeman opnieuw, deze keer vlakbij het ruiterstandbeeld. 

Ze herkende hem aan zijn halflange haren.

Hij herkende haar ook. 

Ze waren elkaar al bijna gepasseerd toen ze het toch vroeg.

‘Heb je het nog gezien?’

‘Nee... jij?’

‘Ook niet.’

‘Jammer.’

‘Ja.’

Toen glimlachten ze weer en gingen door.

Nu wist ze het zeker. Groene ogen, zie je wel.

De week erop voelde de vrouw van de meubelmaker de jongen voor ze hem zag. Hoe hij liep en met een hand door zijn haar streek. Een vreemde verlegenheid overviel haar.  Ze keek hem aan en zweeg.

De jongeman zei:

‘Mooie dag vandaag.’

‘Ja.’

‘Kom je hier vaak?’

‘Ja.’

‘Ik ook, vroeger niet, nu wel.

‘Het is een mooi park.’

‘Mooi park, zeker. Ze onderhouden het ook goed.

'Ja.'

‘…..’

'Tot ziens.'

'Tot nog eens.'

En ze gingen elk hun richting uit. 

 

Op zaterdag stonden ze eventjes stil bij elkaar. Soms wel langer dan dat. Er bleek altijd iets te zeggen, te tonen of te vragen. Er waren altijd twee ogen om in te kijken.

De vrouw van de meubelmaker ging ook eens op dinsdag wandelen. Hij was er niet.

De jongeman ging eens op donderdag wandelen. Hij zag haar niet.

 

Zij luisterde ’s nachts  naar het zachte snurken van haar man. Ze kon er flarden van zijn gulle lach in horen. Ze lag wakker en wachtte op de zaterdagen. 

Er waren momenten dat de jongeman prachtige zinnen zei. Zoals:

‘Ik vind dat ook.’

of

‘Wat denk jij daarvan?’

Ze praatten over wat ze deden en wat ze zouden doen. Nooit over de knoop in hun maag.

Zijn lippen waren donkerrood.

Haar stem klaterde over de paadjes.

 

Die keren dat de wind haar lokken plaagde en zij haar krullen amper kon temmen, had hij dat willen doen.

Zoals ze haar hand als een zuchtje op zijn arm legde en zei:

‘Ssst, ik hoor iets. Zou dat het  egeltje zijn?’

Of als ze vlakbij elkaar stonden, slechts een laagje wind hun vingers beroerend. 

 

Dat jaar vierden haar man en zij hun 19e huwelijksverjaardag op een zaterdag. De meubelmaker sloot zijn zaak, schoof zijn arm door de hare en wandelde mee naar het park. De zon schonk er de herfst een okergouden kleur. 

Ze kruisten de jongeman op het smalle bruggetje. 

Ze schoven aan de ander voorbij, ze verdween heel even in zijn blik. Ze sloegen tegelijk de ogen neer. Achter het  hoofd van de jongen zag de vrouw van de meubelmaker een blad in de armen van de wind drijven. Traag en onschuldig viel het in de vijver. 

 

De volgende zaterdag stamelde hij:

‘Ik ben de zoon van de apotheker.’

‘Ik weet het’, antwoordde zij stilletjes. ‘Ik ben de vrouw van de meubelmaker.’

‘Ik wist het’, zei hij.

‘Ik ben twee keer zo oud als jij’, fluisterde ze.

‘Dat is zo.’

Ze keken allebei opzij, en dan terug.

Hij duwde zijn handen diep in de zakken van zijn jas.

‘Ik ga weg. Studeren in de stad.’

Ze knikte.

Ze slikte. 

Stilte. 

Het ruisen van een keel, een buik, een leven.

Een vrouw naderde.  Ze leek op de wijkverpleegster.

De vrouw van de meubelmaker stak haar hand uit naar de jongeman.

Het was koud en toch plakten hun handen een beetje aan elkaar.

Zij zei:

‘Dit ... je weet niet ...voor mij…dank je.'

‘Ik ook’, zei de jongen. Hij toonde een schuin glimlachje, zette een eerste trage stap vooruit en dan nog een.

Hij keek om, stak zijn hand nog eens op. Zij deed hetzelfde.

 

De jongeman die al bijna man was, liet haar beeld naast zich zweven.

‘Misschien ooit … iemand als haar.’

De vrouw van de meubelmaker die nog een meisje was, nam weemoed met zich mee. Ook spijt om alles wat niet was gezegd, niet had gekund, niet was geweest. 

Ergens diep in zichzelf zou ze een plaatsje zoeken voor wat ze had gekregen. Om naar te kijken op lege dagen.

 

Een egeltje, kon je dat ergens kopen? 

Ann.ryckaert66@gmail.com

5. Het bericht - Joran Simoens

Met z’n drieën zaten ze naast elkaar en het rechtse meisje gaf de gsmdoor aan haar vriendin in het midden. Samen lazen ze aandachtig de tekst op het scherm.

     “Ik zou dit deel weglaten”, zei het meisje in het midden ter- wijl ze met haar vinger wees. “Het klinkt te verontschuldigend, alsof jij degene bent die sorry moet zeggen.”

     “Je bent nog braaf”, zei het meisje aan de linkerzijde.

     “Ja, ik weet het, maar ik dacht, als ik het schrijf alsof ik excu-ses verwacht, dan gaat de situatie er ook niet beter op worden.” Hetmeisje aan de rechterkant wendde haar blik af van de gsm en kauwdeop één van haar nagels. “Het punt is gewoon dat ik het achter me wil laten, anders blijven we erover bezig.”

     “Maar als je er nu niets over zegt, zal het so-wie-so vroeg of laat terugkomen”, zei het meisje aan de linkerkant.

     “Ik zeg er toch iets over?”

     “Maar je legt er niet de nadruk op.” Het linkse meisje wierp haar haren naar achteren. “Nu is het te algemeen, alsof het je allemaal niets doet.”

     “Word is hier met DT”, zei het meisje in het midden.

     “Ja, ja, thanks”, zei het rechtse meisje. “En ja, het doet me weliets, allé, het doet me veel, maar moet ik dat dan allemaal opschrij-ven? Ik wil ook niet dat het te lang wordt. Dan lijk ik zo’n psycho.”

     Het linkse meisje rolde met haar ogen en zette zich naar ach- teren zodat ze even uit het gezichtsveld van het rechtse meisje ver- dween. Als enige van de drie had ze haar cursus nog openliggen en keek ze oplettend naar de passen van de docent om in te schatten of hij snel opnieuw aan de les zou beginnen. Met hun plaats op de eerste rij was het voor hen onmogelijk de discussie voort te zetten wanneer de powerpoint weer aanging en zou het zomaar kunnen dat het rechtse meisje in die gedwongen stilte het bericht zou sturen zonder toestemming van haar en het meisje in het midden. Ze wist dat haar nog maar weinig tijd restte.

     “Maar denk eens na”, zei het linkse meisje. “Als je nu doetalsof het niets is, wie zegt dat hij het volgende week niet opnieuw doet? Je hebt het recht om kwaad te zijn op hem. Hij moet begrijpen dat hij je echt wel heeft gekwetst.”

     “Ja, je hebt wel gelijk hoor.” Het rechtse meisje zuchtte. “Ikvoel me ergens gewoon zo schuldig als ik zo kwaad moet zijn. Het is echt geen slechte jongen, en dan voel ik mij weer de bitch.”

     “Dit deel is wel goed, vind ik. Dat zijn echt wel dingen die jemoet zeggen”, zei het meisje in het midden al scrollend.

     “Hubert was ook geen slechte jongen.” Het linkse meisje draaide zich nu volledig naar haar beide vriendinnen. “Maar als jeniks doet, face it, binnen de kortste keren valt het weer voor.”

     “Maar wat moet ik doen? Na een tijd weet ik het ook nietmeer hoor. Ik krijg al koppijn door erover na te denken.”

     Achter hen kwamen mensen binnen met een kop koffie in de handen. Ze zetten zich weer op hun plaats en klaagden over hun the- sis of bespraken hun plannen voor het weekend. Toen de rij achter hen zich weer vulde, kropen de drie vriendinnen dichter bij elkaar en dempten hun stem.

     “Als het aan mij lag”, zei het linkse meisje. “Ik stuurde hemeen bericht dat ik hem een tijdje niet wil spreken.”

     “Maar ik wil juist wel met hem spreken, alleen zonder heel dat gedoe tussen ons.”

     “Maar hoe anders krijg je dat gedoe tussen jullie weg?”

     “Ik weet het niet”, zei het rechtse meisje. “Ik weet het echt niet. Wat denk jij?”

     “Je bericht is wel goed”, zei het meisje in het midden. “Ik denk wel dat hij gaat inzien dat het je echt wel iets heeft gedaan.”

     “En wat Hubert betreft, dat is echt wel iets anders.” Hetrechtse meisje haalde lippenbalsem boven en tuitte daarmee haarmond zodat die weer glansde. “Van hem zou je zoiets verwachten,snap je, hij denkt niet na over dat soort dingen. Maar nu is het ge-woon moeilijk om te weten of hij het expres heeft gedaan of niet.”

     “Doet dat ertoe?”, vroeg het linkse meisje.

     “Het lijkt me best dat je daarvoor eens echt met hem gaat pra-ten. Zo’n bericht is goed om aan te geven dat er iets mis is, maar zo kom je nooit te weten wat er nu in hem omging.”

     “Ja, misschien, ik zie wel”, zei het rechtse meisje. “En ja, hetdoet er inderdaad weinig toe, maar toch, het is wel belangrijk voor mij. Als ie het expres heeft gedaa–”

     “Ga je hem dan dumpen?”, vroeg het linkse meisje.

     Het rechtse meisje wendde haar hoofd af. “Eigenlijk zou hetwel moeten dan, of niet?”

     “Bij mij zou het direct gedaan zijn”, zei het linkse meisje.

     “Dat moet je zelf bepalen.”
     Vooraan keek de prof op zijn horloge en liep vervolgens naar

de gang om de laatste luidkeelse studenten terug naar binnen te drij- ven zodat hij zijn uitleg over de theorieën van La Ducla kon hervat- ten. In zijn pas zat altijd een lichte aarzeling, alsof hij stiekem hoopte dat de leerlingen uit zichzelf zouden beseffen dat het tijd was om terug op hun plaats te gaan zitten en hij hen niet moest aanmanen. Binnen dit en drie minuten, echter, zou het kabaal gaan liggen zijn en restte er geen kans meer om een deftig gesprek te voeren tot het einde van de les binnen een uur. De ruggen van de drie meisjes krom- den zich nog meer en bijna wang aan wang zetten ze hun discussie verder.

     “Ik heb er ergens wel al over nagedacht, maar het lijkt me zo drastisch.” Het rechtse meisje beet op haar lippen. “Heb ik al gezegddat Arthur me gisteren heeft gestuurd op Instagram?”

     “Arthur?”, zeiden de twee andere meisjes simultaan.

     “Ja hij wou iets weten over vrijdag, allé, eigenlijk doet het er niets toe hoor. Ik voel me gewoon zo verward sinds heel dit gedoe is begonnen. Hem dumpen lijkt echt dom, maar toch, soms...”

     “Als je dat van plan bent, is dit bericht misschien niet gewel- dig om te sturen”, zei het meisje in het midden.

     “Waarom niet? Omdat word er niet met DT wordt geschre- ven?”

     “Ik heb het daarnet al aangepast, no worries”, zei het meisje in het midden. “Maar je geeft zo de verkeerde indruk, vind ik.”

     “Of je hem nu gaat dumpen of niet, je bericht moet wat har- der. Je wil echt niet dat hij denkt dat je onzeker bent. Hij gaat dan gewoon zo’n onnozel slijmerig bericht terugsturen dat het allemaal een misverstand was en dat hij het achter zich wil laten om te focus- sen op de toekomst en bla bla bla. Je moet een schorpioen maar demogelijkheid geven, of hij steekt je zo in de rug.”

     “Wat moet ik dan schrijven, denk je?”
     “Vertrouw je me?”
     Het meisje aan de linkerkant overwoog de vraag van haar vriendin en kraste met haar nagel over de tafel. Langs hun rij liep de prof terug naar zijn plek en wekte zijn computer uit de slaapstand zodat ze opnieuw beschenen werden met het flauwe licht van een Powerpoint. Terwijl de stemmen achter de meisjes één voor één weg- vielen, keek het rechtse meisje dwars door het meisje in het midden naar haar vriendin aan de linkerkant.

     “Ja”, zei ze.

     Het meisje aan de linkerkant nam de gsm in ontvangst en begon onmiddellijk aan het schrijven van een nieuw bericht. Zodra de prof begon met spreken wist het rechtse meisje dat ze haar lot uit handen had gegeven. Ze bleef kijken tot de laatste letter was inge- toetst en wilde de gsm toen terugvragen om de tekst na te lezen, maar het linkse meisje drukte nog éénmaal op het scherm, op een plek die het rechtste meisje deed verstijven. Het linkse meisje stak de gsm in de lucht en toonde hem haast trots aan haar vriendin: het bericht was verzonden. De boodschap was aangekomen.

Shortlist

Ben ik de volgende - Elisabeth de Lange

De eindbestemming - Belinda Suvaal

De laatste vrouw - Joe Wong

De wachtkamer - Tom Zwaan

Een frisse start - Annette Akkerman

Flink zijn - Monique Cunnen

Nepmoeder - Ellen van den Polder

Red de ijsberen - Hagar Schuringa

Tommy - Sandra van Vliet. 

Tuinieren in de kerk - Els van Weijen.

***

© 2018 by Limnisa.

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now