Winnende verhalen 2022                

•••

Jury rapport - Pauline Slot

 

Als lezer ben je altijd op zoek naar het moment dat je iets begint te lezen en een ‘ja!’ voelt

opkomen. Het ja van: dit is goed, dit is mooi, dit is interessant voor mij. Op zo’n moment

hebben schrijver en lezer elkaar gevonden, zoals mensen in het echte leven elkaar soms ook

ontmoeten en denken: ja!

 

Bij het lezen van de inzendingen van dit jaar voelden wij dat ‘ja’ ook een aantal keren

opkomen. Dat gebeurde toen we de winnende verhalen lazen.

Bij ‘Onder de Spaanse zon’ van Jolan Bollen staat een dik uitroepteken achter ons ‘ja’. Dit verhaal

heeft een eigen toon, een beweeglijke en originele stijl, en getuigt van psychologisch inzicht.

Door de ogen van een verlamde vrouw bezien we haar man. Beiden worden consequent zo

aangeduid: als ‘de verlamde vrouw’ en ‘de niet-verlamde man’. Gelukkig is hier gekozen voor

een vertelling in de derde persoon, en niet voor ‘ik’. Dit zet de lezer in een observerende

positie die geen afstand schept, maar die juist mooi samenvalt met de observerende positie

van de vrouw. Een prachtige eerste plaats.

In ‘De wijndonkere zee’ laat Irene Schoenmacker ons een heel leven meebeleven. Een Griekse man wordt

geboren als zoon van een kreeftenvisser. Het verhaal is tegelijk melancholiek en nuchter,

met soms echo’s van een sprookje, zonder dat dit het gevoel van realiteit verstoort: ‘De

oudste broer was trots, snel verveeld en makkelijk gepikeerd. De jongste was meegaand,

geconcentreerd en soms wat sloom. De zusters leken op elkaar: lange, zwarte haren, lange

armen en luide stemmen. Beiden gooiden het hoofd achterover als ze lachten.’ Zulke

typeringen zijn raak en ritmisch, en het kost geen enkele moeite om samen met de

hoofdpersoon oud te worden. Een volmondig ja en een verdiende tweede plaats.

‘In De Waarheid’ van Andrea Kluitmann begint met een leuk idee: in een huis bevindt zich een kamer waar

je, via het ventilatiesysteem, kunt horen wat een paar kamers verderop wordt gezegd. De

hoofdpersoon en haar partner, Wieger, noemen die kamer dan ook De Waarheid: daar

wordt wat tussen mensen ongezegd blijft toch geventileerd. De ik-verteller komt er zo achter

dat haar vader Wieger maar een lapzwans vindt. Het verhaal gaat vervolgens over Wieger en

wat hij wel en vooral niet doet voor de ik-verteller, die niet lang meer te leven heeft. Het

verhaal is goed geschreven, maar daarmee ook wel wat vol. De kamer die De Waarheid heet

had wat ons betreft centraal kunnen staan, het is een idee dat met gemak een heel verhaal

kan dragen, terwijl het nu heel snel verdwijnt. Een mooie derde plek.

‘Andra’ van Bart Galama krijgt de vierde prijs. Hier volgen we een hoofdpersoon die als jongen in de

klas zit bij zijn vader, de leraar Klassieke Talen. Dat is geen gemakkelijke positie. Later wordt

hij zelf leraar Engels en leert hij zijn vader beter kennen. Op het eind weet hij de wereld, of

in elk geval de zee, zelfs een moment door zijn vaders ogen te bezien. Dit is een verhaal dat

verteltechnisch nog niet optimaal vloeit, maar wel een ontwikkeling en gevoel laat

meebeleven.

 

De vrolijkste noot komt van het verhaal op de vijfde plek, ‘Klare wijn van Homerus’ van Teun van der Linden,

waarin we toevallig opnieuw een klaslokaal bezoeken. Ditmaal zien we een leraar

Nederlands moeite doen om lange lijnen in de literatuurgeschiedenis te doceren aan

leerlingen die dat maar matig interesseert; al is ik-verteller Tim behendig met Googlen en

weet hij de interactie in de klas scherp te observeren - en kan hij goed schrijven ;-). De

 dialogen zijn leuk en geloofwaardig (al had meer beschrijving het verhaal wat diepgang

kunnen geven en de ontwikkeling duidelijker kunnen maken; het einde komt nu nog niet

goed uit de verf) en de schrijfstijl is trefzeker (en eindelijk zien we hier alinea’s zoals het

hoort). Kortom: een leuk verhaal.

Winnende verhalen:

1. Onder de Spaanse zon  -  Jolan Bollen

2. De wijndonkere zee   -  Irene Schoenmacker

3. In de waarheid   -  Andrea Kluitmann

4. Andra   -  Bart Galama

5. Klare wijn van Homerus  -  Teun van der Linden

1. ONDER DE SPAANSE ZON - Jolan Bollen 

 

De verlamde vrouw ziet hem fluitend door de keuken wandelen. Hij giet het afkooksel van de ene pot in de andere. Met zijn lange haren hangt hij snuivend boven de pan waarin het witloof gaart. Het zou wel eens goed kunnen dat zijn haren nu in de boter hangen. Alleen kan zij dat niet zien. 

Ze probeert hem streng aan te kijken. Dat lukt niet, maar toch kijkt hij op, lacht, en krult gehaast de lange lokken haar die stijf langs weerszijden van zijn gezicht hangen achter zijn oren.

‘Ok Google: zet vuur vier uit,’ zegt de niet-verlamde man.

Een computerstem volgt: ‘Lieveke, vuur vier is nu uit.

‘Lieveke’. Zo heeft hij zijn eigen naam in het systeem ingesteld waardoor de Google assistent elke zin begint met ‘Lieveke’. Lieveke dit, lieveke dat. 

‘Ok Google: braadtijd braadworst.’

‘Lieveke, op de website lekkerkoken.be vond ik de volgende bereidingswijze terug: laat de worsten eerst op kamertemperatuur komen, leg een blokje boter in de pan en braadt op een hoog vuur totdat de worsten aan elke zijde mooi bruin zijn, temper vervolgens het vuur en gaar de worsten nog zo’n 10 minuten verder.’ 

Ze kan hem niet meer zien. Ik bedoel, ze kan hem nu letterlijk niet meer zien. Het aanrecht wordt overschaduwd door een wit muurtje waar ze vanuit haar rolstoel niet over kan kijken. Ze hoort hem, dat wel. Ze hoort hoe hij fluit, hoe de lepels tegen de pannen klinken en hoe hij met zijn pantoffels in een snel tempo schuifelt, trippelend als een jong dier. Het kan goed zijn dat hij zachtjes danst. Alleen kan zij dat niet zien. 

 

De verlamde vrouw kijkt naar een houten boekenrekje, een design dat op een boom moet lijken, maar eerder het beeld van een geraamte opwekt. Ze kijkt naar het houten tafeltje links van haar rolstoel, naar de uit eikenhout gesneden paddenstoelfiguren, naar een uit hetzelfde hout gesneden beeld van twee springende dolfijnen, de kerstversiering, de kleine kerstboom, een meter hoog, met lichtgroene plastieken naalden, de half opgebrande kaarsen. Wat een warboel. De foto’s, in houten kaders. De houten kast, met daarin beeldjes, nog meer beeldjes. Olifanten op een rij, slakken met verschillende soorten huisjes, een miniatuurkerstboom met flikkerende rode en groene lichtjes. Ze kijkt naar al dat hout. Al dat hout en al die lichtjes.

‘Ok Google: zet alle vuren uit,’ hoort ze hem op de achtergrond, opgewekt.  De niet-verlamde man verschijnt van achter het muurtje en wuift even. Van zijn gezicht rolt een dikke druppel zweet. Of stoom dat water werd. 

Hij leest de krant. Zij kijkt toe hoe hij de krant leest. Op de achtergrond hoort ze het zachte, zoemende geluid van de oude led-lichtjes die de kerstboom omhelzen. 

Telkens wanneer hij een pagina omslaat kreunt hij. Heel even maar. Bijna geluidloos. Een kortstondig, maar krachtig samentrekken van het middenrif. Meer is het niet. En als je hem niet zou kennen, of hem nog maar net kent en hem voor de eerste keer de krant ziet lezen, dan zou het kreunen je vast en zeker niet opvallen. Maar na al die jaren hoort de verlamde vrouw niets anders of heeft ze het zó vaak gehoord dat het juist iets heel anders is geworden. Voor haar lijkt het geluid niet meer op dat van een kreunende man, maar het lijkt eerder op dat van een man – haar man – die telkens op het punt staat te braken, maar uiteindelijk zijn maag, altijd opnieuw en juist op tijd, onder controle weet te houden. 

‘Het is bijna klaar, schat! Nog vijf of zes minuten.’

Ze probeer te knikken. 

Ze kijkt nog maar eens. Boekenrek, paddenstoelen, dolfijnen, kerstversiering, kerstboom. Dan nog een tweede keer naar de kerstboom en de beige kerstster bovenaan de boom. Die staat krom en buigt naar links. Het ding ziet er bijna zompig uit, als oud hondenspeelgoed, gebogen, vol deuken en met bruinzwarte verkleuringen. Eén lange, roze slinger krult half slap en half stijf door de takken van de plastieken naaldboom. 

‘Ok Google: hoeveel inwoners kent Zaragoza?’ 

‘Lieveke, Zaragoza kent 661.108 inwoners.’ 

Hij wiebelt met zijn voet op zo’n manier dat zijn pantoffel gevaarlijk op het randje van zijn dikke teen bengelt en wanneer Google niet veel later antwoordt dat het in Madrid vriest, lacht hij, hardop, met te veel tanden en met een lach die hem zo eigen is, misschien wel een Spaanse lach, zwengelend van hoog naar laag en dan terug van laag naar hoog en hij pulkt aan de sproet op zijn nek, zo vreselijk hard dat hij de sproet elk moment van zijn huid kan trekken. 

Ze hoort hem zijn eigen bord dresseren. Hij legt de braadworst links, het witloof rechts. Dat doet hij altijd. Ze hoort hoe hij met zijn lepel het braadvet in fijne cirkels over het bord verspreidt, hoe hij daarna – deze keer met een ander soort gefluit, kort en levendig – drie bolletjes puree in een rijtje tussen de braadworst en het witloof legt. Per bolletje puree één korte fluittoon. Dat doet hij altijd. Fluit, fluit, fluit. Dan pas hoort ze de mixer. 

 

Voor het ongeval leek het hen een goed idee om het appartement op de bovenste verdieping van de woonblok te kopen. Ze zouden samen de vogels bestuderen die na lange vluchten op hun raamdorpel zouden rusten. 

‘Dit is nu dit,’ zou hij dan met een hoopvolle glimlach hebben gezegd, ‘maar beeld je nu eens in wat voor vogels we dáár zouden zien, in Spanje, beeld je eens in dat heel deze stad de zee was, en die zon daar, de Spaanse zon, beeld je dat eens in lieve schat.’ 

Het was altijd zijn droom geweest om naar Spanje te verhuizen. Een klein huisje, een klein tuintje, airconditioning. Hij wilde leren duiken en als dat duiken dan meeviel, zou hij een abonnement nemen en elk weekend les volgen. Zij wilde leren zwemmen.

Ze waren van plan om niet langer dan tien jaar in dit appartement te wonen, een kindje te krijgen, nu en dan wat geld op zij te leggen en dan te verhuizen naar de Spaanse kust. Het kind zou Manuel of Manuela heten, donkerbruine ogen hebben en een glimlach gevuld met een levensvreugde die je volgends de niet-verlamde man enkel in Spanje kan vinden.  

Maar de vogels kwamen niet, en evenmin de Spaanse kust. En nu ze niet meer op de vensterbank kan zitten, maar enkel nog op de hoogte die de rolstoel toelaat door het raam kan kijken, ziet ze niets anders dan lucht, helderblauwe lucht met een klein streepje horizon. Als haar man haar tot bij het raam rolt, hoopt ze op wolken, een regenbui, of, als het kan, een donderstorm. Want niets is zo verschrikkelijk als een helderblauwe hemel wanneer die helderheid met niets in contrast staat en ze het gevoel krijgt een schipbreukeling te zijn die in de eindeloze blauwte van de lucht onvermoeid zoekt naar nog een drenkeling. 

‘Hier ben ik!’

In zijn linkerhand houdt hij zijn bord met braadworst, witloof en puree vast. In de andere hand een kom bruinige pap met daarin een lange, dunne lepel. Hij legt ze beiden naast elkaar op de tafel.

‘Kom schat,’ fluistert hij in haar oor, ‘kom, laten we wat lekkers eten.’

Hij rolt zijn vrouw tot aan de tafel en gaat naast haar zitten.

‘Glaasje rood?’ lacht hij. 

Ze probeert te knikken, maar hij staat al recht. Hij weet wel dat ze rode wijn wil. 

Hij huppelt naar de keuken. 

‘Dankje,’ probeert ze nog te fluisteren.

‘Ok Google, wat weet je over de Cabernet Sauvignon Chateau Plissard 2013.’ 

‘Lieveke, ik vond de volgende informatie terug: De Cabernet Sauvignon is een heerlijke Franse rode wijn van het domein Chateau Plissard. Het domein is gelegen in Zuid-Frankrijk, in de wijnstreek Pays Dóc. De wijn is diep paars van kleur met een granaatrode gloed en bevat fruitige aroma's van zwarte bessen, rode bessen en specerijen. In de mond vol en rijk van smaak. De Chateau Plissard Cabernet Sauvignon is aan te bevelen tijdens de BBQ of heerlijk bij verschillende kazen of bij wild vlees.’

‘Hola, wild vlees,’ knipoogt de niet-verlamde man in de richting van zijn vrouw, ‘dan zitten we aan het juiste adres!’

Het is een knipoog van korte duur. Een knipoog waar hij halverwege het knipperen alweer spijt van heeft. Ach, een knipoog is ook zo snel gebeurd. Wie kan er wat aan doen? 

Hij gaat voorzichtig zitten en schenkt twee glazen wijn in.

‘Sorry,’ mompelt hij. 

Ze kan het hem niet zeggen, maar ze vindt het niet erg. Integendeel, ze krijgt het warm. Of dat lijkt toch zo. Ze kan misschien dan niet meer zweten, maar ze beeldt zich in dat ze zweet. Dat het blote vel op haar armen en benen vettig begint te glanzen en dat er zich, gekneld tussen haar voorarm en de lederen leuning van haar rolstoel, dikke druppels opstapelen, die, als ze opstaat, daar zouden blijven liggen, blinkend, zoals op de plastieken tafels van de Burger King en op wachtkamerstoelen. Ze beeldt zich in dat er grote kringen onder haar oksels verschijnen en dat ze, mocht ze haar armen kunnen opheffen, een zware zweetlucht verspreidt, die rond haar lichaam cirkelt en vervolgens ook rond dat van haar man, waardoor hij, bekend en opgeleid in het ontcijferen van de geur, onrustig op en neer begint te wiebelen, wordt opgegeild en misschien wel van zijn stoel gelokt, gerukt, al springend, stijf. Dat hij met zijn donkere ogen naar haar kijkt, zoals hij dat ook deed toen ze elkaar voor het eerst ontmoette in die karaokebar op de A12. Donkere ogen zo absorberend dat haar aanwezigheid op enkele minuten rauw wordt verslonden en verteerd, zo gruwelijk dat ze dankbaar is dat er nog iets van haar overblijft. Hoe ze haar niet-verlamde man zou vastpakken, uitkleden en hoe hun lichamen, klef en meurend als koortszweet, in en uit elkaar zouden glijden. 

‘Ok Google: wat is de hoofdstad van Papoea-Nieuw-Guinea?’

‘Lieveke, de hoofdstad van Papoea-Nieuw-Guinea is Port Moresby.’

‘En is witloof gezond?’

Er volgt geen antwoord. De niet-verlamde man neemt een slok rode wijn.

‘Sorry. O-K G-O-O-G-L-E: is witloof gezond?’

‘Lieveke, dit heb ik gevonden: Witloof is erg gezond. Het bevat veel vitaminen, waaronder A, B en C. Daarnaast is witloof rijk aan foliumzuur dat een gunstig effect heeft op de darmflora en een gezonde zwangerschap bevordert.’

Er volgt een tweede stilte, ditmaal omdat hij zwijgt. Ongemakkelijk stapelt hij wat witloof op zijn vork en slikt het door. Met lichtjes trillende handen neemt de niet-verlamde man het wijnglas van zijn vrouw vast, propt een plastieken rietje tussen haar lippen en wacht, kijkt hoe zij met glazige ogen moeizaam de wijn naar binnen werkt. 

‘Ok Google: hoe groot is de maan?’

‘Lieveke, de maan heeft een diameter van 3476 kilometer.’

‘Knap groot,’ mompelt de niet-verlamde man in zichzelf. Fier. Alsof hij de berekening zelf maakte. 

‘Ok Google: wat is het verschil tussen een spar en een den.’ 

‘Alsjeblieft,’ bidt de verlamde vrouw in gedachten, ‘laat het stoppen. Hij lijkt wel een kind, een kind dat bij elke stap een nieuwe wereld ontmoet.’

Ze ademt hevig, zo hevig als ze kan. Ze knijpt haar gedachten samen: Wordt het vervloekte ding hem na een tijd dan toch niet moe? Ziet het dan niet hoe hij telkens door het huis huppelt, met een vervelend vrolijke tred, en de ene vraag na de andere stelt. Hoe zijn stem zwengelt en lacht, hoe hij lacht, alsjeblieft, als een doodbloedend varken en hoe hij fluit. Fluit, fluit, fluit. Mijn god, klemt ze de kiezen, wordt zij hem dan toch niet moe? Hoe heeft het ding toch zo’n geduld? Zo’n eindeloos geduld? Heeft het dan toch geen medelijden met mij!

‘We hebben nog kerstkaartjes gekregen, schat,’ mompelt hij, ‘ik weet niet of je ze hebt zien liggen? Daar, op het kastje. Er zit er eentje tussen van mijn vader en raad eens van wie nog?’

De verlamde vrouw slurpt verder aan het rietje. Er druipt wat wijn vermengd met kwijl – de wijn is iets minder rood en duidelijk dikker van substantie – langs haar kin naar beneden. De niet-verlamde man stopt de druppel ergens halfweg de nek en dept met zijn servet zachtjes van onder naar boven haar kin droog, met een blik als die van een verpleger die bijna met pensioen mag, onpartijdig, onbewogen, maar toch, op een heel eigen manier, gevuld met een ontegensprekelijke tederheid. 

‘Ja hoor, van Nancy!’ gaat de niet-verlamde man verder, ‘Ze heeft blijkbaar een nieuwe vriend. Ze zijn verhuisd, zegt ze. Ik bedoel, zij is bij hem gaan wonen. Ergens op het platteland, ik weet niet juist meer waar, maar ze lijkt het wel naar haar zin te hebben. Veel ruimte, zegt ze. En elke dag die gezonde buitenlucht! We zouden eens langs kunnen gaan? Wat denk je?’

De verlamde vrouw zwijgt en duwt met haar tong het rietje tergend langzaam uit haar mond. De niet-verlamde man zet het glas terug op tafel.

‘Wolf. Zo heet hij, haar nieuwe vriend. Wolf. “Wo-olf’”. Stel je dat eens voor, zeg. Wat een naam. Wolf.’

Hij plooit de krant voorzichtig toe en legt die op het tafeltje links van hem. 

‘Ok Google: speel Saragossa van Jimmy Frey.’

‘Lieveke, ik heb je niet verstaan. Kan je dat nog eens herhalen?’

’Speel S-A-R-A-G-O-S-S-A van J-I-M-M-Y  F-R-E-Y.’

Hij hijst zich recht en spreidt zijn armen. ‘Kom, schat,’ glimlacht hij. Hij huppelt tot achter haar rolstoel, klikt met zijn voet de rem los en rijdt haar tot in het midden van de living. Daar dansen ze. Danst hij. Hij draait haar met de grootste zorg in kleine cirkels rond. 

‘Saragossa,’ zingt hij, ‘Saragossa,’ roept hij luid. ‘Dat is de stad van mijn dro-omen!’

Daar draaien ze, zachtjes met de tijd.  

***

2. DE WIJNDONKERE ZEE - Irene Schoenmacker

Ze hadden gezegd dat het aan zijn ogen lag. Net als de tong kan het oog verschillende smaken proeven, zo hadden de jongeren uit het dorp het gezegd. Maar die van hem niet. Gek eigenlijk, peinsde de man, terwijl hij de resten van een kreeft tussen zijn tanden vandaan peuterde en het zout van zijn lippen likte. Mijn leven lang dacht ik hetzelfde te zien als de anderen, en nu aan het eind van mijn leven blijkt dat iedereen al die tijd iets anders zag.

 

Hij was geboren als middelste zoon van een kreeftenvisser. Het eiland waarop hij ter wereld kwam ten zuidoosten van Athene was klein, al telde het veel kinderen. Toen hij oud en sterk genoeg was, hielp hij zijn vader met de kreeftenvallen. Die zijn zo gemaakt dat een kreeft er wel in kan kruipen, maar nooit meer terug kan. Zijn scharen zijn simpelweg te groot om zich door de opening terug te wurmen. School zat er niet in, op het leren van wat getallen na. Nog veel later waren hij en zijn broers degene die het schip bestuurden en de vallen controleerden op zee. Ze waren verschillend, zijn broers en hij. Twee had hij er, en twee zusters. De oudste broer was trots, snel verveeld en makkelijk gepikeerd. De jongste was meegaand, geconcentreerd en soms wat sloom. De zusters leken op elkaar: lange, zwarte haren, lange armen en luide stemmen. Beiden gooiden het hoofd achterover als ze lachten. 

 

Hijzelf was voorzichtig en bedachtzaam. Kreeften vangen was een gevaarlijk en zwaar beroep. Aan boord was hij op zijn hoede, beducht voor gevaar. De kreeften die hij en zijn broers vingen, verkochten ze in de haven. Soms nam hij er een aantal mee naar huis en kookte ze gaar in de pan. Hij zag hoe hun pantser nog roder kleurde, nog roder dan het zeewater waarin hij ze kookte. Het vlees pulkte hij uit de kieren van het beest, uit de scharen haalde hij soms nog het meest. 

 

Kreeften zijn bijzondere beesten. De vrouwtjes dragen de eieren onderop hun pantser. Het zijn ontelbare, zwarte glimmende bolletjes die tegen het lijf aangeplakt zitten. Het voorspel tussen kreeften kan dagen duren. Kreeften strelen elkaar met hun voelsprieten en met hun poten die bedekt zijn met smaaksensoren. Bovendien zijn kreeften onsterfelijk. Hun pantser is hard en groeit niet mee, waardoor ze die af en toe achterlaten. Op die momenten zijn ze erg kwetsbaar, en verstoppen ze zich een poos tot het nieuwe pantser is uitgehard. Zo regelen kreeften hun geboorte zelf – steeds opnieuw. 

 

Toen hij veertig werd, ontmoette hij een vrouw. Zijn broers waren al jarenlang getrouwd, ze werden steeds zwijgzamer en hun vrouwen barser en hun gezichten vol barsten door het wonen aan de zee. De vrouw die hij ontmoette had licht haar en de roodste ogen die hij ooit had gezien. Het was roder dan het oneindige water waar hij elke dag op voer. Ze sprak gebrekkig zijn taal, maar naarmate de jaren voorbijgingen, leerden ze elkaar steeds beter kennen. De eerste keer nadat ze bij hem in bed stapte, wreef hij met zijn benen over die van haar. Ze was zacht. Hij sloeg zijn armen om haar heen.

 

In de lente, wanneer het water warmer werd en ook de bomen ontloken, gebruikte zijn vrouw een woord dat hij niet kende. De wind die vaak over het eiland woei, blies de witte bloesem van de takken. Sneg, riep zijn vrouw dan uit en greep een handvol bloesem met haar handen om het vervolgens weer de lucht in te gooien. Sneg, herhaalde hij onzeker. Hij had het woord nog nooit op het eiland gehoord.

 

Op een dag voer hij uit. Zijn boot lag aangemeerd in de haven, en hij pakte een flink aantal van de opgestapelde kreeftenvallen om erop uit te gaan. Het woei hard en de zee was ruw. Met moeite hield hij de boot recht. Op het achterdek schoven de vallen heen en weer. Hij hield ze nauwlettend in de gaten. De boot was een stuk verder dan hij normaal gesproken uitvoer, en de golven lieten zich een voor een over het dek heen vallen. De vallen die hij controleerde waren leeg. Op andere plekken zette hij nieuwe vallen uit. Met moeite wist hij terug te varen. Bij aankomst in de haven stonden zijn zussen op de rotsen. Een van de barse vrouwen van zijn broers was plots overleden. Ze begroeven haar onder een roze amandelboom, op een plek waarvan zijn vrouw zei dat de sneg haar als een deken zal bedekken. 

 

Hij was gelukkig. Ten minste, dat vermoedde hij. Zijn ene broer werd steeds gepikeerder en ging minder vaak mee varen. De ander leek nog meer tijd nodig te hebben om de vallen naar de bodem te laten zakken. Samen zagen ze de vallen steeds verder in het dieprode water zakken. In de avonden kroop hij tegen zijn vrouw aan en sloeg zijn benen om haar middel. Ze was magerder geworden, vond hij. Haar botten leunden tegen zijn dijspieren aan en maakten groeven in zijn huid. Toch bleef haar haar licht en haar gezicht wonderbaarlijk rimpelloos. 

 

Op een van zijn schaarse vrije dagen ging hij met zijn vrouw eten in een taverne in de buurt. Ze wees op de roze waterkan, die naast de fles rode wijn stond. Galoeboj, zei ze. Roze, zei hij. Ze schudde haar hoofd. Galoeboj, zei ze opnieuw. Geduldig herhaalde hij het woord. Hij wees op het donkerroze tafelkleed. Galoeboj, zei hij. Ongeduldig schudde zijn vrouw het hoofd. Njet, zei ze, sinij. Hij keek om zich heen, naar het dorp dat hij zijn leven lang al kende. Geen galoeboj of sinij te zien. Alles leek op de binnenkant van de wijnfles op tafel. Zachtjes viel de donkerrode avond. Hij legde zijn hand over haar knokige vingers. De kootjes voelden hard.

 

De week erop voer hij opnieuw uit, alleen dit keer. De zee was onstuimig, wat niet gek was voor deze tijd van het jaar. Vlokken roze schuim spatten tegen de rand van de boot op. Sneg, dacht hij. Hij haalde een van zijn vallen op, die ze al weken links hadden laten liggen. Vijf grote kreeften, met in de hoek van de val een oud pantser. Het was minstens zo groot als zijn hand. Hij probeerde zijn boot nog verder de zee op te sturen, maar de golven duwden hem steeds weer terug. Uiteindelijk gaf hij uitgeput op en keerde terug naar de haven. Bij thuiskomst was zijn vrouw weg. De volgende ochtend klopte zijn broer traag op de deur. Ook zijn oudste broer was vertrokken.

 

Hij werd ouder en ging steeds minder vaak de zee op. Hij verkocht zijn visvergunning, wat hem genoeg geld opleverde voor een huisje bij de haven. Elke ochtend keek hij hoe eb en vloed elkaar afwisselden. Af en toe kookte hij nog kreeft in zijn kleine keukentje. Hij wandelde vaak de haven uit, waar sinds enkele jaren een nieuw schoolgebouw stond. Af en toe ving hij op de wind flarden op van kinderen die zinnen opdreunden. De jongens kwamen soms bij hem langs, om te leren hoe je een kreeft openmaakt en waar je het beste vlees vindt.

 

Hij op zijn beurt leerde van hen. Bij het eten wees een van hen op de roze waterkan. Blauw, riep hij trots, het woord wat hij net had geleerd. De man schudde zijn hoofd. Galoeboj, zei hij. De jongen schudde heftig zijn hoofd en wees op de wijnrode zee buiten. Blauw, herhaalde hij. De man schudde zijn hoofd opnieuw. Sinij, probeerde hij. De jongen staarde hem aan en wees langzaam op de lucht. Blauw, zei hij weer, nu iets minder krachtig en onzeker. De man zag de roze lucht steeds donkerder worden. 

 

Nog veel later kwamen er andere mensen naar het eiland. De eerste was de meester, die in de school naast de haven lesgaf. Later kwamen er anderen, wetenschappers en dokters. Hun kinderen speelden met de kinderen van het eiland. Ze bleven komen bij hem, ook toen hij zo stram was dat hij het donkerrode pantser van de kreeften bijna niet meer zelf open kon krijgen. Af en toe maakten de jongens een grapje en wezen ze op de waterkan. Blauw, zeiden ze dan en hij knikte gelaten. Sommigen van hen werden vissers, anderen werden dokter. Ze leken allemaal jeugdiger te blijven dan hem destijds.  

 

Ze hadden gezegd dat het aan zijn ogen lag. Net als de tong kan het oog verschillende smaken proeven, zo hadden de jongeren uit het dorp het gezegd. Maar die van hem niet. Gek eigenlijk, peinsde de man. Mijn leven lang dacht ik dat dingen rechtomlijnd waren en precies hetzelfde, maar alles lijkt altijd te verschuiven en te veranderen. Je hebt zoveel ruimte als je inneemt, bedacht hij, kijkend over zijn kleine eiland. ’s Avonds in bed strekte hij zijn armen en legde voorzichtig zijn benen naar voren, maar vond alleen maar de zeelucht die over zijn knieën streek.

***

3. IN DE WAARHEID - Andrea Kluitmann

Toen Wieger en ik samen in de Domselaerstraat woonden, noemden we onze rommelkamer De Waarheid. Het medicijnkastje hing er aan de muur en we bewaarden er blikken soep en de stofzuiger. Via het ventilatiesysteem kon je in De Waarheid glashelder horen wat er in de huiskamer drie ruimtes verderop werd gezegd.

     Zodoende was ik er op zoek naar pleisters achter gekomen dat mijn vader Wieger een lapzwans vond. Hij was altijd vol lof geweest over Wieger en zijn kunst, en keek me verwijtend aan toen ik de pleister veel te strak om zijn duim plakte.

     De tijd met Wieger was goed geweest, voor niets in de wereld had ik haar willen missen. Hij genoot zo hard van het leven dat er aan alle kanten iets overschoot. Dat kregen wij, de mensen om hem heen, maar vooral ik, de vriendin met wie hij het net had uitgemaakt.          

     Van Wiegers restjes had ik drie jaar lang royaal geleefd. Met hem waren ook gewone dingen als in de kroeg zitten of naar de film gaan bijzonder, en sommige ongewone dingen zou je je waarschijnlijk op je sterfbed nog herinneren. Daar zou ik vrij snel achterkomen, mijn tumor groeide bovengemiddeld snel en was volledig inoperabel.

     Ik had vaak geprobeerd om uit te zoeken wat Wieger zo deed schitteren, maar dat lukte niet, het lukte niet eens om er langer dan twee minuten op te letten, je te onttrekken aan zijn meesleurende aanwezigheid. Net als bij de ouverture van Wagners Tannhäuser, een van de weinige muziekstukken die me in een staat van opperste verrukking brachten. Natuurlijk kon je proberen iets uit te leggen met mollen en alternerende tempi, maar dat verklaarde de bovenaardsheid niet, het volledige losgerukt zijn van deze wereld.

     Uiteraard geloofde ik noch in reïncarnatie noch in het leven in het hiernamaals of andere laffe pogingen tot zingeving – behalve als ik de Tannhäuser hoorde. Dan was het plotseling geen kwestie meer van geloven, het was er gewoon. Oneindigheid.

     Van Wieger werden mensen blij. Dieren trouwens ook. De poes van de buurvrouw begon altijd te spinnen als ze hem zag, terwijl hij haar nooit aaide. Voor mij reserveerde ze een blik die je moeilijk anders dan hooghartig kunt noemen, alvorens me steevast haar achterwerk toe te draaien. Ik was degene die naast het beest ging hurken, haar onder haar kin kroelde en verse stukjes ossenhart voerde als de buurvrouw weg was. Wieger deed nooit iets om aardig gevonden te worden, voor niemand.

     ‘Dit is zó typisch voor jou,’ had mijn zus gezegd toen ik het met haar over Wieger had. ‘Lekker alles kapot analyseren.’ Katelijne had soms een gloeiende hekel aan me, misschien omdat ze zelf al moeite had om de afwas in een logische volgorde te doen, haar eeuwig vettige wijnglazen waren daar het resultaat van. Ik vond dat niet erg, hooguit vond ik het jammer dat het me in al die tijd vroeger niet was gelukt om haar iets te leren, terwijl ik vier jaar ouder was. Misschien had ik het te hard geprobeerd. Minstens een keer per jaar verweet ze me dat ik haar als zevenjarige úren in de garage had opgesloten. Ze mocht er pas weer uit als ze eindelijk had begrepen hoe makkelijk het was om welk getal dan ook door vijf te delen. Ik had er een geweldig trucje voor bedacht en ik wilde dat zij dat zou be-grij-pen. Je vermenigvuldigt het getal dat je door vijf wilt delen met twee en dan verschuif je de komma één plaats naar links. Dat is alles. En ik gaf haar voorbeelden, leeftijdsadequate voorbeelden. Vijf meisjes runnen een paardenfarm. Samen hebben ze 195 paarden, hoeveel paarden heeft elk van hen? 195 maal twee is 390,00. Komma een plaats naar links en je had het resultaat: 39 fokking paarden. Jezus, hoe moeilijk kon het zijn!

     Maar dat was allemaal vroeger. De afgelopen jaren ging het juist goed tussen Katelijne en mij, we hadden zelfs een gemeenschappelijke vriendenkring. Voor mijn laatste verjaardag had ik ze allemaal uitgenodigd; ik werd 37. En toen zei Katelijne het gewoon, alsof het niks was: ik had kanker gekregen omdat ik ‘altijd zo in mijn hoofd zat’, vandaar een hersentumor en geen borst- of darmkanker. Met mijn borsten of darmen had ik niets fout gedaan.

     Waarom juist met een theelepel weet ik niet, maar ik stelde me voor hoe ik de bolle kant tergend langzaam tegen haar strottenhoofd zou duwen en haar gerochel straal zou negeren.

 

Wieger had het op Kreta uitgemaakt, waar we tien dagen op vakantie zouden zijn. De eerste avond had hij in een restaurantje aan zee met een berg visgraten en wat citroenschijfjes in een soort algemeen bescheiden Engels een toneelstukje verzonnen dat de eigenaar en de overige gasten zowel aan het lachen maakte als ook ontroerde, het liep somber af. Wieger leek er zelf verbaasd over. Wat hij verzon – en dat gold ook voor zijn kunst – was doorgaans vrolijk. Wat beslist niet hetzelfde is als oppervlakkig. We dronken tot diep in de nacht gratis Ouzo en ik bracht daarna wat uren kotsend door op de wc in ons appartementje. Dat was niet erg, want de volgende dag hoefden we niets behalve zwemmen, door het mooie stadje lopen en in de schaduw zitten.

     We wisten dat de uitslag van het ziekenhuis zou komen zodra we weer thuis waren, maar ik maakte me er helemaal niet druk over, ik was alleen maar naar de huisarts gegaan omdat ik een tekenbeet had gevonden en zeker wilde weten dat ik de ziekte van Lyme niet had, ik voelde me zo traag. En ik ging ervan uit dat Wieger ook nooit aan die uitslag dacht.

     Na een week op Kreta maakte hij het uit. Niet omdat hij genoeg had van me, niet omdat hij iemand anders had leren kennen en niet omdat hij weer alleen wilde zijn. Het was Wieger ‘s nachts op het balkon duidelijk geworden dat hij niet bij me zou blijven als ik ernstig ziek was. En die gedachte liet zich niet meer ongedaan maken; hij kon niet doen alsof hij hem niet had gedacht.

     Ik moest ook zonder Ouzo onmiddellijk overgeven, al schuilde er iets moois in zijn logica en onwrikbaarheid. Hij had een terugvlucht geregeld en zou meteen uit onze woning vertrekken. Vreemd genoeg waren die drie dagen Kreta in mijn eentje niet slecht. Het mooiste waren de ochtenden buiten, de nieuwe zon.

     Toen ik thuiskwam waren Wiegers spullen weg. Hij had een briefje achtergelaten en een stick met mooie Kreta-foto’s. Op mijn antwoordapparaat stond een dokter van het ziekenhuis, of ik zo snel mogelijk persoonlijk langs wilde komen. Dan weet je natuurlijk dat het mis is, alleen niet hoe erg.

     Heel erg mis, bleek de volgende dag. Tegenover het ziekenhuis was een sushi-tent. Ik nam een nigiri zalm extra en ook een miso-soep. Daarna belde ik Katelijne en een uur later stonden mijn ouders voor de deur. Mijn vader huilde en sneed zich verschrikkelijk in zijn vinger toen hij een pak koffie wilde open maken. Ik schoof hem de huiskamer in en ging op zoek naar pleisters.

     Wieger was geen lapzwans.

     Ook later niet, toen het steeds slechter ging, juist toen niet.

     En sterven ging trouwens veel makkelijker dan ik had gedacht.

     Ik zag een sardientje dansen, vol overgave dansen, op de achtergrond de wijndonkere zee. En toen werd het nacht. Zo’n idioot beeld, dat dansende sardientje.

***

4. ANDRA - Bart Galama

Als ik bij mijn vader in de klas zat, zette ik me schrap voor het commentaar van mijn kameraden achteraf. Ik nam het ze niet kwalijk, ik kende zijn zwakheden. Hij putte zich uit in het toelichten van Latijnse en Griekse auteurs, daar was hij goed in, maar zijn liefde voor de klassieken sloeg soms door. 

Er waren in mijn examenklas nogal wat leerlingen die zich voor literatuur interesseerden. Twee van hen zijn schrijver geworden. In onze groep werd regelmatig over de hedendaagse letteren gediscussiëerd. Wij hingen het moderne idioom aan en hadden elk onze helden. Origineel waren we niet: de Grote Drie, daar hield het wel zo’n beetje mee op, al verdedigde mijn vriend Jeroen als enige het standpunt dat we een Grote Vier hadden: Jan Wolkers hoorde er toch zeker bij?

‘Die concrete taal, man! Die kracht! Die fysiek!’

‘Ja, maar diepgang ho maar.’

‘Hoe kom je daar nou toch bij? Er is niemand die de mens zo goed beschrijft als hij. Tot in de diepste ziel. Maar wel op een gewone manier. Niet hoogdravend’

Tot in de klas voerden we dit soort gesprekken en mijn vader bemoeide zich daar graag mee.  Dat wij daar misbruik van maakten lag voor de hand, we waren niet altijd gespitst op het vertalen van Vergilius. Zo bracht ik op een middag met opzet een bekend citaat uit Mulisch naar voren waar mijn vader als een havik op dook.

 ‘Wie altijd mooi is, is degene die liefheeft, want hij heeft lief en wordt daardoor bestraald door dat licht.’

‘Dat is toch prachtig,’ tartte ik hem en een paar van mijn vrienden knikten hevig. Paul Havelaar zei: ‘Meneer Bergman, dat is toch minstens even goed als het begin of andere beroemde regels uit de Odyssee?’

Mijn vader verslikte zich van verontwaardiging. ‘Andra moi ennepe, mousa, polutropon hos mala polla...’ riep hij uit, ‘wat sta ik hier te citeren, jullie kennen de onsterfelijke regels. En dat vergelijk je met deze armzalige troep? Lees het nog eens op,’ zei hij tegen mij en ik herhaalde de regel.

‘Ha!’ lachte mijn vader schamper. ‘Twee keer is, twee keer heeft, twee keer lief, twee keer door, in één regel van tien woorden. De houterigheid splintert er vanaf. Heeft die moderne literatuur van jullie nou echt niks beters te bieden?’

En zo hadden we hem op zijn stokpaardje. We sloegen er Mulisch, Reve, Hermans en Wolkers bij op en lazen ijverig regels voor, bij voorkeur niet de beste - mijn vader liep blauw aan van zoveel wansmaak, stikte in zijn welsprekendheid en vergat huiswerk op te geven. 

In de huiselijke kring probeerde hij nog weleens op het onderwerp terug te komen (‘De klassieken, mijn jongen, moet je dit toch eens horen’), maar dan had ik het te druk.

 

Wij slaagden allemaal triomfantelijk en gingen elk onze eigen weg. Zelf werd ik ook leraar, maar ik koos voor Engels, verslaafd als ik was aan Shakespeare, Hopkins, Auden en tal van prozaschrijvers. Ik verborg mij, zoals de zegswijze luidt, in de provincie, en stichtte een gezin. We kregen twee zoons. Af en toe had ik nog contact met de oude vrienden. De klassieken nam ik niet meer ter hand, want zo gaat dat. Mijn vader bleef enthousiast zijn grote liefde uitdragen, maar versomberde naarmate de jaren vorderden.

‘Weerklank, jongen, weerklank, die is er niet meer,’ klaagde hij, als we bij elkaar over de vloer kwamen. ‘Heb jij dat nou niet? Zijn ze bij jou geïnteresseerd in Shakespeare?’

‘Niet allemaal pa,’ moest ik bekennen, ‘een stuk of vijf per klas misschien.’

‘Vijf!’ riep hij dramatisch, ‘vijf! De weelde! De weelde!’

‘Maar je weet toch dat we er niks meer aan hóeven te doen hè pa, aan literatuur? Het is allemaal liefdewerk oud papier. De minister vindt het prima als mijn leerlingen analfabeet blijven.’

Hij kromp ineen. ‘Dit is mijn wereld niet meer,’ zuchtte hij. ‘Hou vol jongen, hou vol tegen de barbaren!’

 

Hij ging met pensioen en verhuisde met mijn moeder naar Griekenland. In Loutros, aan de zuidkust van Kreta, kocht hij een appartement aan zee - ‘de wijnrode zee, dat herinner je je toch nog wel hè?’ zei hij didactisch tegen mij, toen we voor het eerst op bezoek kwamen.

‘Tuurlijk pa,’ zei ik, ‘als de dag van gisteren. Jongens!’ riep ik tegen Mo, mijn vrouw en de jongens, ‘de Griekse zee is wijnrood.’

‘Als je dat maar weet,’ zei Mo, die ook gymnasium heeft gedaan.

‘Okee,’ zei Tim, de oudste. Hij wierp een blik naar buiten. ‘Hartstikke rood.’ Peet, de jongste van zes, ging op in zijn spel.

 

Mijn ouders werden oud en kregen kwalen, doofheid, minder goed zicht. We bezochten ze elk jaar een paar keer. Kreta was geen straf. Toen mijn vader 85 was en ikzelf al nu en dan aan mijn pensioen begon te denken, kregen we een mailtje van mijn moeder. Ze schreef: ‘Je vader is heel erg traag. Hij wordt met de dag trager. Volgens mij is hij nog helder, maar daar blijkt dagenlang niets van. Hij praat weinig. Ik maak me ongerust.’ De bedoeling was duidelijk. Mo en ik pakten onze koffers. Peet wilde ook mee. Tim kon niet, door zijn werk. We boekten een vlucht naar Chania en reden met een huurauto naar het zuiden. Vandaar met de boot naar Loutros. Het was juli, 33 graden, de golven dansten, we werden omringd door uitbundige toeristen. 

Mijn moeder ontving ons met een gespannen gezicht. ‘De verpleegster is er,’ zei ze zachtjes, ‘ze heeft hem onderzocht en ze zegt dat er niks aan de hand is. Maar ik weet het niet hoor...’ We gingen naar binnen. Mijn vader stond midden in de kamer, leunend op zijn wandelstok en starend naar de grond. De verpleegster vertrok. 

Hij keek op, kreeg ons in het oog en er verscheen een brede glimlach op zijn gezicht: ‘Hee, jullie daar? Dat had je wel eens mogen zeggen, Roos.’ 

Mijn moeder knikte verheugd en zei, knipogend naar ons: ‘Ja helemaal vergeten hoor. Ze zijn hier zo vaak hè. Zal ik ‘s iets lekkers voor jullie inschenken?’

We gingen zitten en begonnen een gesprekje. Mijn vader was traag, heel traag, maar hij reageerde passend. Achter zijn rug mimede mijn moeder opgetogen dat wij hem goed deden. Het gesprek kabbelde. We beschreven ons leven in Holland,  dat het onderwijs er niet op vooruitging,  dat Mo veel aan mantelzorg deed, dat Tim het zo druk had op zijn werk. Peet vertelde dat hij mariene biologie studeerde in Utrecht en dat hij het een prachtige studie vond, die hem paste als een handschoen. 

‘Zo ben ik erachter gekomen, opa, dat de Griekse zeeën blauw zijn en niet rood,’ lachte hij. Maar de lach van mijn vader bleef uit. Hij keek Peet ernstig aan, tuitte zijn lippen en zei: ‘Maar dat is een misvatting hoor. Wijnrood is de kleur.’

Mijn moeder verstrakte. Ik zei: ‘Pa, de zee is blauw. De oude Grieken hadden geen woord voor blauw.’

Hij leek wat in elkaar te zakken. Toen zei hij: ‘Maar ik wel.’

‘Precies. Dus weet je heel goed dat de zee blauw is.’

‘Nee,’ zei mijn vader. Hij stond moeizaam op, steunend op zijn stok, en schuifelde voetje voor voetje naar zijn stoel bij het raam. Hij ging zitten, half van ons afgekeerd, keek uit over de zee en zweeg. Levenslustig vakantierumoer steeg op van beneden, blauw en wit spatte het licht naar binnen. 

Ik ging naast hem voor het raam staan. Hij keek naar de zee met een lichte glimlach om zijn lippen. En ik zag het. De zee was zijn zee. En zijn zee was rood, zo rood als wijn.

***

5. KLARE WIJN VAN HOMERUS - Teun van der Linden

Hoewel meneer Friedman, die dit jaar onze leraar Nederlands is, zich met zijn vijfenveertig jaren geen yup meer kan noemen, is hij vandaag met een ge- bronsde teint op zijn gezicht het klaslokaal binnengekomen. Om hem heen hangt een geur van zweet en aftershave, waarschijnlijk Bleu de Chanel.

     ‘Die is duidelijk op vakantie geweest’, fluister ik in Maaike’s oor.

     Ze doet, zoals wel vaker, alsof ze mij niet hoort. Ze kijkt hoe Friedman zijn lichtblauwe colbert over de stoel schikt, met ferme, zekere gebaren. Hij ziet er met zijn vierkante gelaatstrekken en het parelende zweet op zijn voorhoofd uit alsof hij rechtstreeks uit de sportschool is gekomen. En misschien is dat ook wel zo.

     ‘Maaike, Maaike’, dring ik aan. ‘Die is op vakantie geweest, heb je die wolk aftershave geroken!’

     ‘Sst...’

     Friedman gaat voor de klas staan, kijkt op zijn zilveren horloge, herschikt het om zijn pols en doet een stap de klas in. Hij krabt in zijn zwarte, al wat dunne haar.

     Zijn stem is traag en zwaar.

     ‘Welkom in 6 VWO en jullie treffen het: ik ga het met jullie anders doen dan met andere examenklas- sen...’

     Hij kijkt het lokaal rond. Wanneer zijn blik ons be- reikt zie ik Maaike haast verstijven van spanning.

     ‘Hoewel we niet bij Grieks zitten, gaan we dit jaar Homerus lezen, we gaan de Ilias en de Odyssee be- studeren als basis voor onze latere tocht door de Nederlandse literatuur. We zullen zien...’, zegt hij en hij laat een stilte vallen zodat zijn woorden de kans hebben in te dalen, ‘...we zullen zien dat moderne auteurs schatplichtig zijn aan de Grieken – of ze het nu weten of niet.’

     Ik kijk met opgetrokken wenkbrauwen in de richting van Maaike, die me nog altijd negeert.

     Friedman pakt uit zijn tas een paperback en houdt het boek in de lucht. Op de voorflap zijn een stel naakte meiden aan het baden.

     ‘Vet! Porno!’, roep ik.

     Michel, mijn beste vriend, giert het uit waarna een laf gegrinnik klinkt.

     Ik kijk opnieuw naar Maaike.
     Haar wangen kleuren rood als wijn.
     Friedman houdt nog steeds het boek in de lucht. In

zijn kolenschop is het boek bedrieglijk klein.
     ‘Veel beter nog dan porno’, lacht Friedman goedmoedig. ‘Vandaag wil ik laten zien hoe goed Homerus eigenlijk is en dat het boek die paar tientjes waard is. Waar leer je dat tegenwoordig nog? Als gezegd: jullie treffen het!’

     Met een afstandsbediening start hij een Power-Point op. Achter hem verschijnt een sheet met een enkele zinsnede.

     ...wijndonkere zee...

     Friedman kijkt over zijn schouder naar het scherm.

     ‘Wijndonkere zee’, draagt hij voor. De woorden stromen langzaam uit zijn mond, ze suizen bijna.

     Friedman kijkt naar Maaike.

    ‘Maaike wat denk je ervan, ben je deze omschrijving al eens eerder tegengekomen?’

     Ze ademt zwaar.
     Snel google ik op ‘wijndonkere zee’.
     Op een Belgische website tref ik een artikel aan

waarin ik lees dat de Grieken géén naam voor de kleur blauw hadden en dat dit één van de verklaringen is waarom Homerus het had over een wijndonkere zee. De Grieken hadden alleen namen voor kleuren die ze zelf konden maken.

     Ik steek mijn hand op.

     ‘Straks Tim... Wat vind je ervan Maaike?’, dringt Friedman aan. ‘Heb je ooit een wijndonkere zee gezien?’

     Ik draai mijn laptop naar Maaike toe, wijs met mijn pen op de relevante passage. Ze durft er niet naar te kijken, ze houdt haar blik angstvallig op de leraar gericht.

     ‘Nee, dat heb ik niet.’

     Friedman wendt zich weer tot de klas en richt ondertussen met een nonchalant gebaar de afstandsbediening op het scherm achter zich

     Onder de tekst verschijnt een foto van een zee- aanzicht in een paarse gloed.

     ‘Deze heb ik vorige week genomen, tijdens mijn vakantie in Griekenland. De afgelopen weken heb ik daar Homerus bestudeerd. Wat jullie zien is de Egeïsche zee in het avondlicht. Het is de zee die Homerus karakteriseerde als een wijndonkere zee.’

     Friedman wendt zich weer tot Maaike.

     ‘Snap je nu waar de term wijndonkere zee vandaan komt?’

     Ze knikt.
     ‘Heel goed Maaike.’
     Friedman richt zich weer tot de hele klas.
     ‘Is het niet alsof Homerus achter ons staat? Nou

jongens, dit is slechts een voorproefje van wat jullie dit jaar kunnen verwachten.’

     ‘Neeeejjjjjj’, zucht Michel en laat zijn hoofd op de tafel bonken.

     Ik steek mijn hand op.
     ‘Meneer’, roep ik.
     ‘Tim...’, zucht Friedman.
     ‘Wat ik mij afvroeg: wat heeft de wijze waarop Homerus de zee ziet te maken met de wijze waarop Nederlandse auteurs door hem zijn beïnvloed? Moeten wij de zee ook als wijndonker gaan zien?’

     Even kijkt hij mij geërgerd aan, dan krult er een glimlach om zijn lippen.

     ‘Goed punt Tim. Eerlijk is eerlijk!’
     ‘Je hebt je zin’, fluistert Maaike nijdig in m’n oor.

     ‘Eigenlijk...’, zo vervolgt Friedman, ‘hebben we onze vraagstelling dankzij Tim verdiept: de vraag is dus in hoeverre Homerus invloed heeft en dus ook in hoeverre hij dat niet heeft.’

     Friedman lijkt tevreden en maakt aanstalten zijn verhaal voort te zetten.

     ‘Nog even over die zee’, ga ik verder. ‘Die heeft toch niet de kleur van wijn?’

     Friedman herschikt het horloge om zijn pols.
     ‘Nee inderdaad’, roept Michel. ‘Het is eerder Rosé.’ ‘Of slootwater’, roept iemand anders.
     Een gegrinnik rijst op.
     ‘Dat was een minder scherpe opmerking, Tim’, zegt Friedman. Hij kijkt naar boven, naar het systeemplafond.

     ‘Er is altijd een verschil tussen dat wat de taal kan uitdrukken en de werkelijkheid. De afbeeldingstheorie van Wittgenstein is verworpen. In de eerste plaats door Wittgenstein zelf welteverstaan.’

     Friedman kijkt mij aan.
     ‘Ooit van die theorie van Wittgenstein gehoord?’ Ik schud mijn hoofd.
     ‘Nee, Wittgenstein ken ik niet, maar toch heb ik nog een opmerking. De werkelijke reden...’
     ‘De zee is wél wijndonker’, roept Maaike haast gillend.
     Ze slaat haar hand voor haar mond, kijkt wild om zich heen en gaat pas verder wanneer ze merkt dat de aandacht op haar gericht is.

     ‘Het gaat niet om de kleur van wijn, de zee is troebel als een glas wijn. Homerus kon het moeilijk over Blue Curacao hebben, ja toch? Dat hadden ze helemaal niet! Dat is toch het antwoord meneer?’

     Friedman begint enthousiast te knikken.

     ‘Dat was precies waar ik heen wilde jongedame. Ik noteer een bonuspunt. We moeten heel precies lezen. Dat loont altijd!’

     Maaike glimt van trots en weet eindelijk te ontspannen. Ze begint in haar gebruikelijke schoonschrift aantekeningen te maken.

     ‘Wilde je daar nog iets aan toevoegen Tim?’, vraagt Friedman.

     Ik kijk naar mijn laptopscherm, naar het artikel over theorieën over de mate waarin een taal ontvankelijk is voor kleuren.

     Inmiddels had ik het uit.

     Eén van die theorieën is dat het voor primitieve culturen, bij gebrek aan praktische toepassingen, weinig nuttig is om een naam voor de kleur blauw te hebben. De Grieken hadden blauw kennelijk niet nodig.

     ‘Komt het nog Tim?’, vraagt Friedman met een blije uitbundigheid.

     Maaike heeft haar aantekeningen eindelijk voltooid en kijkt me speels, uitdagend aan.

     Haar ogen glinsteren.

     Eén moment aarzel ik. Dan zet ik de zojuist tot mij genomen verklaringen over de wijndonkere zee uiteen en leg uit dat Grieken geen woord hadden voor de kleur blauw.

     ‘Chapeau Tim! Heel goed!’, roept Friedman uit en hij begint opnieuw te praten over Wittgenstein die ook al over kleuren geschreven schijnt te hebben.

     Ik luister er niet naar.

     Ik heb slechts aandacht voor Maaike.

     Ze draait het dopje van haar flesje Tipp-Ex en gaat met het witte kwastje naar haar schriftje en begint zorgvuldig haar woorden weg te lakken.

     Nauwelijks hoor ik dat ook ik een bonuspunt heb gekregen.

***

Longlist

* Cut off - Natasja Kraijer

De erfenis van oom Theo - Femmy ten Cate

De kleur van water - Janneke Volkerink

Gestrand - Nienke Hoek

* Kleurplaat - Stijn Kleijnen

Onderwijs - Erna Spoelstra

* Slotakkoord - Marijke Vos

Twijfels - Susan Muskee

* Van de loopplank - Menno Hermes

Vertrouwen - Linda Beukeboom

***