top of page

       

 

 

Winnende verhalen 2023                

•••

 

 

Creëren vergt energie, toewijding en volharding.

Meedoen aan een schrijfwedstrijd met een thema is een uitdaging.

Toch ontvingen we dit jaar 167 Nederlandse inzendingen van hoge kwaliteit.

 

De ‘eigen kamer’ van het thema nam veel verschillende vormen aan.

Soms was het een echte kamer en representeerde ze een thuis, een veilige plek waar iedereen recht op zou moeten hebben.

In andere verhalen stond een verhuizing symbool voor een nieuwe fase in het leven.

Vaak werd de kamer gebruikt als een manier om ruimte te geven aan creativiteit en soms, om afstand te scheppen in een relatie.

Andere keren was het een oase, de enige plek waar je kunt zijn wie je bent, zonder in een context geplaatst te hoeven worden.

Opvallend was dat het lichaam vaak gebruikt werd als metafoor. Een kamer die je nooit kunt verlaten en die jou nooit verlaat. 

Als winnaars kozen we volgende verhalen.

1. Muisje  -  Hilde Onis

2. Apart   -  Conny Hoogendoorn

3. Levy's bezoek   -  Ton Bil

4. Amir   -  Mariano Perez van Poecke

5. Spiegel  -  Judith de Graaf

1. MUISJE - Hilde Onis 

 

Die dag: Je gromde terwijl ik de rolgordijnen open deed om het licht naar binnen te laten vallen. Toen ik je wilde roepen om nog even in het kozijn te lummelen voordat je naar de kunstbeurs moest, zag ik iets hangen in de hoek van de dakkapel. Een vleermuis hing opgevouwen als een kleine harige kroket vast aan het stucwerk. Het beest hing vredig te slapen, de dunne huid tussen zijn vleugelbotjes naar binnen gevouwen. Zijn wat kalere achterhoofdje met frommelige muizenoren hing onbezorgd naar beneden. 

Lau, ik weet nog hoe ik je die zomer vond in de hitte en dacht: Wat fijn, iemand met een naam die precies de aangename temperatuur tussen warm en koud beschrijft. 

Hoe je met de zachte kant van een nat schuursponsje het stof van de bladeren van mijn planten verwijderde zodat ze meer licht konden opnemen. ‘Want ze verdienen het toch ook om hun volledige potentieel te benutten.’

Die keer dat ik de metro moest halen voor een afspraak met Jaques maar ik je in plaats daarvan hard en lang vingerde. Na afloop had je me een raket genoemd. Alle schema’s, inzichten, het uitpluizen van niet-helpende gedachten; niets wat Jaques die middag zou kunnen vertellen hielp me meer dan de wetenschap dat ik een raket voor je was. 

Hoe je op een avond buiten op de brandtrap stond te roken, de huid van je rug tegen de nagloeiende bakstenen en zei: ‘Nog even iets van het werk van de dagploeg mee pikken terwijl het stokje al overgenomen is.’ Je wees met je sigaret naar de maan. 

Zes weken leefden we samen, Lau. Zes weken lang kwam je bijna iedere avond naar mijn kleine zolderkamer waar de constructie kraakt en de plinten niet uit langere stukken dan de lengte van een onderarm bestaan. Terwijl ik aan je denk heb ik de indeling van de kamer veranderd om te reconstrueren hoe veel ruimte we die weken per persoon tot onze beschikking hadden. De lucht in deze kamer voelt overvloedig voor één paar longen. Misschien kwamen de schuine muren op je af. Misschien was dat het. Ik hoor de kieren suizen in een zomerstorm, wellicht tappen ze wat lethargie uit de kamer. Ik verdenk de planten ervan gestopt te zijn met fotosynthese. Ik kijk naar de dakkapel en denk aan alle keren dat we hier uit het raam hingen en de identieke zolderkamer aan de overkant bekeken; het beslagen raam van de buurjongen met de lapjeskat. Iedere ochtend likt zijn kat de ochtendcondens van de ramen. Iedere ochtend analyseerden we welke vormen de tong nu weer in de bedampte ruiten tekende. We zoomden in, maakten foto’s, gaven zijn werken titels en deden een schatting van de marktwaarde. 

Ik probeer na te gaan hoe we elkaar die eerste vier weken elke ochtend insmeerden met zowel zonnebrand als beloftes. 

Die keer dat je agressief bonen stond te doppen boven de gootsteen nadat we ruzie maakten over wie van ons twee precies een vermijdende persoonlijkheid heeft, elk vallend eindje een punt achter de laatst gesproken woorden die uiteindelijk onze gootsteen zouden verstoppen. 

Het feit dat je me Muis noemde. Je zei dat het kwam door de combinatie van mijn krakkemikkige kamer en mijn blik. Zelf had je een heel appartement, waar je me wel over vertelde maar nooit uitnodigde. Ik vond het sexy dat ik zowel een flink stuk kleiner als jonger dan je was, maar wie vernoemt zijn geliefde naar ongedierte? Muizen weten zelfs wanneer je ze kilometers ver uitzet weer de zelfde kier naar een warme plek te vinden. Misschien betekent van iets houden het zo klein maken dat andere roofdieren er de waarde niet meer van inzien. 

Die dag: Ik riep je en omschreef wat ik zag. Je dacht dat ik overdreef, dat het weer een van mijn spelletjes was om je voor niets naar me toe te lokken. Sinds wanneer moest er altijd wat te halen zijn? Het speelse geplaag dat je aan het begin charmant had gevonden, werd langzaam de bevestiging van mijn onvolwassenheid. 

Ik kon mijn blik onmogelijk afwenden van de vleermuis. Ik moest niet denken aan het moment dat hij wakker zou worden en vrij spel kon krijgen om acrobatische duikvluchten te maken in mijn kamer. 

Toen je lichaam eindelijk de hoek om kwam, pakte je zonder mijn blik te kruisen de stofzuiger onder de vide vandaan, liep je naar de dakkapel en zoog je het beest aan zijn kontje naar binnen. De stofzuiger stokte drie seconden lang in zijn vermogen om lucht op te zuigen, maar toen het lijfje eenmaal in de buik van het apparaat was geslurpt, zoog het weer verder als voorheen. 

Ik durfde urenlang geen speeksel meer door te slikken omdat alles wat zich door een holle buis moest bewegen om ergens anders te belanden me aan het lijfje deed denken. Met de systematiek van een raketlancering bewoog het zich achter mijn oogleden steeds opnieuw door de slang. Als ik mijn ogen sloot stelde ik me voor dat iemand me slapend en achterstevoren van een te smalle glijbaan af duwde. 


’Gelukkig is hij klein genoeg om niet vast te komen zitten’, had je gezegd. ‘Want dan hadden we daar ook weer iets mee gemoeten.’ Ik merkte dat duizelig was geworden omdat ik steeds minder had geademd sinds je uit bed was gestapt en ging buiten met blote voeten op de vakjes van de brandtrap staan. 

*
 


Het begin van de lente: vrouwtjesvleermuizen zoeken een kraamkamer in een nauwe ruimte, zoals een spouwmuur, dakkapel of een rolluik. Bij voorkeur is de ruimte warm, zodat er zo weinig mogelijk energie wordt verspild om de lijfjes op temperatuur te houden. Een moeder brengt één jong per jaar groot, dat zich direct vastklampt in haar vacht nadat het via stuitligging geboren is. Tijdens de bevalling hangt ze even níet ondersteboven, om de zwaartekracht haar een handje te laten helpen. Zodra het jong geboren is, gaat het al snel op zoek naar de tepel, waar het meestal aan vastgezogen blijft. 

Die dag: Ik weet niet hoe lang ik op de brandtrap stond, maar het was lang genoeg geweest om mijn voetzolen van de afdruk van het raster te voorzien. Ik liep de douche in en ging daar zitten, mijn rug tegen de tegels, knieën opgetrokken. Ik voelde het water over mijn hoofd stromen en vanaf mijn kin tussen mijn borsten door lopen. Het raster in de huid van mijn voetzolen verdween trager dan het ontstaan was. 


Ik probeerde me een tijd lang te focussen op mijn positieve innerlijke dialoog zoals me was geleerd door Jaques, tot je binnen kwam stormen om me te onderwijzen over het watertekort in de wereld. 
 Als je me dat niet was komen melden, zou je me de hele week niet naakt hebben gezien. 

Toen ik je dat uiteen deed bij wijze van antwoord, deed je de klep van de wc naar beneden, ging zitten en daalden je ogen in hoe ze doen wanneer het serieus wordt. Toen het eerste woord niet Muisje maar mijn naam was, zette ik me schrap tegen de douchedeur. 



*


Vroeger gooiden de buurtkinderen ’s avonds petten in de lucht, terwijl ik gespannen achter de hordeur van mijn ouderlijk huis stond te kijken. Vleermuizen doken de petten achterna, en belandden er soms onder, zodat de kinderen de dieren van dichtbij konden zien fladderen.


Lau, ik wil vanaf de brandtrap een pet omhoog gooien waar jij dan onder duikt, zodat ik bij de onderburen aan kan bellen en zou kunnen vertellen dat ik me bewust ben van het onhandige tijdstip, maar dat iets wat me erg dierbaar is in hun tuin is beland, dat ik het op kom halen en hoop dat het nog heel is, dat het niet opnieuw gaat gebeuren omdat ik nu wel twee keer zal nadenken voordat ik de zwaartekracht iets een handje laat helpen. 

Ik denk je bij elkaar vanuit een lichaam dat moeite heeft de standaardeigenschappen opnieuw vast te stellen. Ik wil echolocatie gebruiken om je huidige vorm en afstand te kunnen bepalen. Ik heb het vermogen nodig om te weten wat de nabijgelegen objecten zijn voor ik tegen wil en dank tegen ze aan stort. 

Die nacht: Dat je de stofzak met de vleermuis erin niet uit het apparaat had verwijderd, begon me na je definitieve vertrek pas te dagen. Liggend op de bank schrok ik opnieuw wakker van het beeld van de glijbaan. Toen ik mijn ogen eenmaal open had, hoorde ik een klein geritsel onder de trap naar de vide. De stofzuigermond stak onder de wenteltrap vandaan. De slang liep in een kronkelige draai naar het apparaat toe. Ik probeerde te analyseren uit welke onderdelen een stofzuiger bestaat en of er ergens een luikje was wat ik dicht zou kunnen schuiven. Ik kon de klep van het apparaat open maken om te kijken of het beest in de stofzak zat, maar dan zou hij de kans krijgen om tegen mijn gezicht aan te vliegen. Dat durfde ik niet, mijn hoofdhuid begon spontaan te tintelen bij het idee. Vleermuizen zijn niet voor niets verwant aan vampiers. 


Ik keek naar de kronkels van de slang. Het beestje zou zichzelf door twee loopings moeten stuwen om eruit te kunnen komen. Dat leek me niet realistisch. Ik tikte met mijn vingers op het harde plastic uiteinde. Het was stil. Ik ging voor de stofzuiger op de vloer zitten en ademde zo zacht mogelijk. Het ritselen kwam kort terug, daarna een licht geschraap. Toen wist ik wat me te doen stond. 


Uit de rommellade pakte ik een rol tape, en plakte het einde van de slang dicht. Ik controleerde of alle klepjes van het apparaat goed dichtzaten en legde de buik van het apparaat op de brede vensterbank. Ik deed het raam open, richtte het einde van de slang in de dakgoot en vertelde mezelf met de intonatie van een moeder om nu flink te zijn. De nacht was stil. De straatlantaarns schommelden rustig aan hun kabels. 


Ik pulkte een hoekje van het tape los en trok het snel weg. Langzaam schoof ik de stofzuigerslang verder de dakgoot in, met de opening meters bij me vandaan. Het raam deed ik weer zo ver mogelijk dicht. De buik van het apparaat bleef op de vensterbank rusten. Ik streek weer neer op de bank, ging op mijn zij liggen en hield mijn blik op buiten. 

Wanneer de moeder op jacht moet, laat ze haar kind achter. Dit moet ze doen omdat de jacht met een tweede lijfje aan zich vastgeklampt te gevaarlijk is. Na zes weken is een jong volgroeid, wat door de moeder duidelijk wordt gemaakt door het jong herhaaldelijk te bijten. Daarmee zegt ze dat haar puberjong vanaf nu zelf op jacht moet gaan. 

Deze ochtend: Ik sta over de stofzuiger gebogen. De kat van de buurjongen is bezig een cirkel op het raam schoon te likken waar zijn kop precies door naar buiten kan kijken. Met zijn kraaloogjes kijkt het dier vooruit. In de halve schemer kan ik net zijn lichaamsvorm onderscheiden. Of hij mij ook kan zien weet ik niet. 

Er ligt een laag ochtenddauw op de stofzuigerslang. Ik rust mijn voorhoofd tegen mijn raam. Ik voel het temperatuurverschil tussen binnen en buiten. Een teug adem maakt twee kleine condensvlekjes. Aan het einde van de plastic buis zie ik iets wriemelen. Een klein, alien-achtig klauwtje met vijf vingers. Rustig schuddend trek ik de slang terug mijn huis in. Het beestje verschijnt haperend en beduusd in de dakgoot. Hij knijpt met zijn ogen, fladdert, krimpt ineen en vliegt dan weg. De kat aan de overkant schiet op uit zijn houding, volgt de vlucht, fixeert dan op mij en slaat driftig zijn klauwen tegen het raam. Ik duw mijn schouders naar achter, kijk de kat scherp aan en fluister: ’Je waagt het niet. Denk maar niet dat ik jouw muisje ben, ík ga nu op jacht.’ Ik grijp de huissleutels en ren het trappenhuis af. 

***

2. APART – Conny Hoogendoorn

https://connyhoogendoorn.nl

conny@connyhoogendoorn.nl

 

Hoe vaak appt ze hem? Dagelijks? Meerdere malen per dag? Of soms een poosje niet en dan plotseling tien keer achter elkaar? Zoals nu. Meestal zie ik het wel. Hij moet vaak om haar lachen. Ik hoop zij ook om hem. Dat gun ik hem wel. Hij is ad rem, goed met woorden. Ik snap zijn grapjes niet altijd even goed.

 

Verder is er niet zoveel wat mij ontgaat. Ik weet echt wel dat hij op zijn eigen kamer gaat zitten als hij rustig met haar wil appen. Soms verzacht zijn uitdrukking als hij met haar in gesprek is. Dan lichten zijn ogen op en krijg ik een intens verlangen naar zo’n zelfde blik, maar dan op mij gericht. Nu ook weer. Ik zag het toen hij naar me opkeek toen ik hem zijn koffie bracht.

 

Ach nee, nonsens. Die krijg ik wel. Die blik. Hij kijkt vaak genoeg ook zo naar mij. Maar ik wil liever dat hij uitsluitend naar mij zo kijkt. Met die zuivere warmte die alleen voor mij bedoeld mag zijn.

 

Soms verafschuw ik haar. Als ik hier alleen mijn koffie drink. Maar dat gevoel past niet zo goed bij me. Zo ben ik niet. Het verstoort mijn evenwicht. Dan verlies ik mijn houvast, dwaal ik door de mist. 

 

Toch verdraag ik die warme blik beter dan die andere. Die omfloerste. Ik weet er geen betere omschrijving voor. Neem nou vanavond. We hadden gezellig samen gegeten. Maar toen we de borden in de vaatwasser hadden gezet, veranderde er iets. We kletsten nog steeds, maar zijn hoofd was er niet meer bij. Hij had even op zijn telefoon gekeken. Direct daarna zag ik een heel ander soort warmte in zijn ogen. Was het lust? Verlangen naar lichamelijk contact, zijn taal der liefde? Hij streelde mijn hals. Heel kort maar. Meer niet. En vertrok naar zijn kamer. Zijn eigen kamer. Die wilde hij ineens. Die kamer. Om soms even apart van elkaar te zijn, ergens alleen aan te kunnen werken. Zo omschreef hij het. Het zijkamertje werd nauwelijks gebruikt. En strijken kon ik toch ook wel in de woonkamer doen? 
Hij dringt nooit ergens op aan, maar dit wilde hij toch wel erg graag.  


Ik heb soms de neiging om me in mezelf te keren. Dat weet ik wel. Erg lichamelijk ingesteld ben ik niet. Niet dat ik er een absolute hekel aan heb, maar een liefhebber ben ik nooit geweest. Ik deed het meestal gewoon voor hem en ik vrees dat ik nooit het initiatief heb genomen. En op een dag was het gewoon voorbij, dat hoofdstuk was afgesloten. Ik heb het nooit gemist. Maar toen was ineens die blik er weer. Kwam het door haar? En is hij terug omdat zij zijn verlangen aanwakkert en hij er vanzelfsprekend geen gehoor aan geeft? Of is hij terug omdat hij dat juist wél doet en zijn ogen onbedoeld verraden hoe hij van haar passie geniet? 

 

Soms heb ik zo’n hekel aan hem. Ach, welnee. Wat zeg ik nu toch weer voor raars. Hij is de liefde van mijn leven. 

 

Hij zei een keer dat zij tweeën soms zulke fijne gesprekken hebben. In zijn eigen kamer, veronderstel ik. Over hoe ze in het leven staan. Toen wist ik niet goed wat ik moest zeggen. Het leven, zijn leven, ons leven … Dat kan hij toch ook met mij bespreken? Begrijpt zij hem soms beter dan ik? Dat kan ik me nauwelijks voorstellen. Al kan ik dat natuurlijk niet beoordelen. Wel geprobeerd. Ik ben natuurlijk geen heilige, ik heb heus wel eens in zijn laptop gekeken. Hij wist hun chat altijd direct. Maar dat doet hij met de meeste andere gesprekken ook. Dus dat zegt eigenlijk niets. 

 

Of heeft hij het soms ergens moeilijk mee en wil hij mij niet met zijn zorgen belasten? Dat zou kunnen. Hij is empathisch en attent en weet hoe ik me het leven vaak te zeer aantrek. Ik beleef alles veel te intensief. 

 

Ik vraag me ineens af … Zou dat soms de oorzaak zijn dat ik niet zo van vrijen hou? Dat ik daarom eventjes kroelen zo veel fijner vind? Seks putte me zo uit. Zijn hartstocht joeg me schrik aan. Dan sliep ik weer de hele nacht niet. Ik hield als kind al niet van ruige spelletjes. 

 

Maar zij dan? Waarom chat zij met mijn man? Want dat is hij: mijn man. Ze heeft er toch zelf ook een? Al liep dat huwelijk een poosje niet zo lekker. Toen is dat gechat begonnen. En die blik, denk ik. Die blik kwam niet zo lang daarna. Daar ben ik zeker van. Al heb ik lang gedacht dat ik het me verbeelde.
Stel nou dat ze werkelijk alleen maar vrienden zijn. Dat kan. Of alleen nóg maar vrienden? Dat kan ook. Dat er eerst meer was, zeg maar. Of maak ik mezelf wat wijs en is dát er nog steeds? Waarom denk ik dat nou toch weer!

 

‘Beren op de weg!’ Dat zou hij zeggen. ‘Beren op de weg.’

 

‘We zijn goede vrienden,’ zou hij antwoorden als ik het hem zou vragen. Dat doe ik niet, want ik wil hem beslist niet kwetsen met mijn achterdocht. 

 

Haar huwelijk gaat een stuk beter nu. Maar het chatten lijkt eerder toe dan af te nemen. Haar berichten doen hem soms diep in gedachten verzinken. Dat zie ik echt wel. Toen ik er wat van zei, antwoordde hij dat ze een boek bespraken. Dat luchtte me op. Een boek bespreken kan met iedereen. Daar hoef je niet zo heel erg close voor te zijn. Want dat steekt me. Dat ze soms zo close lijken te zijn. De titel was hij vergeten. Dat kan natuurlijk. Hij heeft vaak veel aan zijn hoofd. Ik had hem trouwens niet zien lezen. Misschien op zijn eigen kamer. 

 

Ze komt wel eens langs. Meestal als ik niet thuis ben. Ik weet niet goed of ik daar verbaasd, verdrietig of een beetje boos om moet zijn. Ik ben te onzeker, zegt hij, te weinig zelfvertrouwen. Hij beweert dat het puur toeval is en ik het uit mijn hoofd moet zetten. Misschien dat ik haar toch ga zeggen dat ze natuurlijk altijd welkom is, maar dat ik liever heb dat ze me even belt als ze wil komen. Omdat ik haar nu steeds misloop. Dat lijkt me een prima plan. Of zou ze dat stom vinden? Misschien zegt ze het dan wel tegen hem. En misschien denkt hij dan wel weer dat ik hem niet vertrouw. 

 

Vriendschap, hè? Zij en hij. Dat zei hij, dat ze goede vrienden zijn. Ik vind het best wonderlijk. Er zijn maar weinig mensen zo verschillend als die twee. Maar het kán natuurlijk wel. 

 

Ik ben me ervan bewust dat ik te veel denk, te veel voel, me te veel focus op wat een ander zegt of doet. Dat heeft hij me vaak genoeg uitgelegd. 

 

‘Ik zou jou niet eens kúnnen bedriegen,’ grapte hij vroeger wel eens. ‘Dat zou jij onmiddellijk merken.’ 

 

En dan zou mijn gevoel er deze keer volledig naast zitten? Weet je, misschien zou ik het niet eens zo erg vinden. Waar komt die gedachte nou ineens vandaan? Zo vreemd. 

 

Overspel gaat gewoon om de seks, denk ik. Alle mannen vinden seks belangrijk. Sommige vrouwen ook. Zoals zij soms naar hem kijkt … 

 

Ach, ik moet niet zo piekeren, hij heeft er nooit iets over gezegd. Hij accepteerde simpelweg dat het uit ons leven verdween. 

 

Daar komt bij dat zij zijn type niet is. Niet onaantrekkelijk. Beslist niet. Maar ze is … een beetje apart. Zo anders dan ik, dan hij. Op het oog heel zelfverzekerd. Zo’n type uit de zakenwereld. Vrijmoedig, brutaal soms. Dat vind hij veel te lastig. Hij is gelijkmoedig, een liefhebber van rust en harmonie. Zo lang ik hem ken, gaat hij confrontaties uit de weg. Bovendien is hij een man van zijn woord. En dat woord gaf hij aan mij. Lang geleden al. 

 

Ik schaam me ineens voor die gedachte net. Dat ik het niet zo erg zou vinden. Natuurlijk wel. We hebben een prachtig huwelijk. We denken over veel hetzelfde, vullen elkaar op alle fronten aan. Ik zorg voor hem. Hij biedt me de veiligheid die ik zo nodig heb. Maar mannen willen nou eenmaal seks … 

Ik zou het veel erger vinden als hij liever met haar dan met mij zou práten. Dan zou ik me pas echt verraden voelen. 


Het is laat. Tijd om te gaan slapen. De nacht zal mijn zorgen vast weer laten verdampen. Ik doe de tv uit, sta op en open de deur naar zijn kamer. Hij schrikt ervan.

Even kijkt hij me onderzoekend aan en schenkt me dan een glimlach. 

‘Ik kom zo ook, schatje. Ga jij maar vast.’ 

Zijn blik is oneindig zacht.

***

3. LEVY'S BEZOEK - Ton Bil

Hij is zo lief. Ik wou dat ik hem kon aanraken, maar mijn arm gaat niet omhoog. Nou ja, hij ziet het misschien aan mijn gezicht.
...
Ik weet niet hoe mijn gezicht eruit ziet. Als ik steeds met mijn ogen naar de kastdeur draai, dan begrijpt hij misschien dat hij die moet opendoen. Aan de binnenkant van de deur hangt een spiegel. 

...
Oh, hij snapt het niet, hij steekt het rietje van de jus d’orange in mijn mond. Ik neem een klein slokje om hem niet teleur te stellen.
...
Ik wil hem aanraken. Ik wil dat hij mij aanraakt. Ik wil weten of mijn lichaam nog gevoelig is voor de vingers van mijn echtgenoot. Ik heb een eigen kamer, dat moet toch kunnen.
...
Stom is dat: als je een hersenbloeding hebt gehad, ben je bijna afgeschreven. Alsof ik niet aangeraakt wil worden. Mijn man mag dat, maar hij komt niet op het idee. Het lijkt wel verboden, verdomme. En al helemaal in een ziekenhuis. Je mag verlamde mensen pamperen, maar daar houdt het mee op. Kutzooi.
...
Ik denk dat ik onbegeerlijk geworden ben. Als je niet kunt bewegen, ben je lelijk.
...
Hij heeft het testament van mijn moeder meegenomen. O jemig ja, dat was ik vergeten. Mijn moeder is overleden. Kun je een hersenbloeding krijgen van het verwerken van verdriet?
...
Levy leest hardop. Goed luisteren nu.
...
Raar, het verdriet is weg. Ik herinner me dat ik verdriet had, maar dat stuk van mijn geest is kennelijk nog niet terug. En mijn denkhoofd wel. Raar, is dat niet andersom?
...
Ze heeft mij de linnenkast nagelaten. De linnenkast! Ze dacht dat ik de linnenkast wilde hebben. Dat mens was gek. Ik heb altijd gezegd: mooie linnenkast. Maar dat wil niet zeggen dat ik dat ding wil hebben. Past niet in ons huis, past niet in onze inrichting, en hé mam, verrassing: je dochter is vijfenvijftig en heeft zelf al een linnenkast.
...
Hij gaat door met voorlezen. Maar ik wil naar mijn eigen gedachten luisteren. Hij mag hier blijven, maar ik wil mij kunnen terugtrekken.
...
Ik heb mijn ogen gesloten, dan is het net of ik hier alleen ben. Hij praat nog door. Ik moet wachten tot hij ziet dat ik mijn ogen dicht heb gedaan, dan zwijgt hij misschien.
...
Als hij dan maar niet opstaat en weggaat. Ik wil nog steeds zijn hand voelen. Liefst gewoon direct op mijn huid: over mijn gezicht, over mijn borsten, mijn buik.
...
Zo, hij is stil nu. Waarover wilde ik ook alweer nadenken?
...
Moeder. Moeder. 

...
In het tehuis, zoals ze daar de laatste tijd leefde. Aftakeling kan lang duren. Haha, dan is een hersenbloeding toch maar lekker snel klaar.
...
Goed dat ze me niet zo hoeft te zien. Ik wil in de spiegel kijken. Hangt mijn gezicht scheef? Ik kan het niet voelen.
...
Oh nee, mijn ogen dicht houden, anders gaat hij weer praten.
...
Ze ging op de fiets naar haar werk, ik was acht en ik zat achterop. Het laatste stuk naar school moest ik zelf lopen. Hoe heeft ze dat gedaan, met vier kinderen? Fenomenaal mens.

...
Gescheiden terwijl je op voorhand wist dat de geloofsgenoten zich van je zouden afkeren. Wat een lef. Gewoon doorgezet omdat je niet meer geslagen wilde worden door papa.
...
Wat een ploert was dat ook. Zielige ploert. Allemaal opgekropte ellende van de oorlog. Je afreageren op je vrouw, en ondertussen wel vijf kinderen maken.
...
Niet gek dat die man met vijftig al de pijp uit ging. Waar is hij ook weer aan doodgegaan? Ik herinner me dat ik het aan Levy verteld heb.
...
Hoe heette mijn overleden broertje ook maar weer? Piet. Peter. Oh nee, Pieter. Het enige jongetje. Kan zijn dat papa hem gemolesteerd heeft, dat hij daar aan onderdoor gegaan is. Mama zei een keer zoiets. Eén keer. Ze zei: 'Ik kon ertegen, maar dat joch niet’. Ik heb er nooit eerder bij stilgestaan. Bedoelde ze nou dat hij zijn eigen zoon de dood in gejaagd heeft?
...
Als ik mijn ogen nu niet open doe, staat hij misschien op en gaat hij weg. Ik ga straks wel verder.
...
Oh kijk, hij kijkt. Ja, blijf nog even. Ja! Oh, je hand. Ja.
...
Niet zo schuw, vent. Ik denk niet dat hier camera’s hangen en wat dan nog. Luister naar mijn lichaam, dan weet je wel wat ik verlang. Ja.
...
Dus je hebt naar me zitten kijken toen ik mijn ogen dicht had. Je vrouw in een bed. Dat wond je op.
...
Oh, stop je daar? Ik zou het wel weten als mijn hand wilde luisteren.
...
Maar je bent dus niet opgewonden. Het was maar een liefkozing. Toch bedankt, lieverd.
...
Heeft moeder nog ooit een man gehad die haar aanraakte?
...
Raar allemaal. Mijn lichaam wil van alles. Mijn gedachten gaan alle kanten op. De emoties gaan weer andere kanten uit. Een rollercoaster noemen ze het, geloof ik. Gaat echt alle kanten op. Oh, ik herhaal mezelf.
... 

Ja, ga maar zitten, lieverd. Ik moet eraan wennen dat ik nog maar de helft of minder ben dan vroeger. Misschien krabbel ik er nog weer bovenop. Ik denk van wel.
...
Als ik me goed herinner, zijn we vijf jaar geleden getrouwd. Maar misschien ben ik een stukje kwijt. Ik weet zeker dat ik stukken geheugen kwijt ben. Nu moet ik denken aan mijn eerste huwelijk. Ik zie hem wel voor me, maar zijn naam schiet me niet te binnen. Raar, hoor. 

...
Voor jou ook wennen, natuurlijk. Niet meer de vrouw met wie je destijds getrouwd bent. Plus dat thuis ook alles anders is als ik er niet ben. Wat eet je eigenlijk? Je ziet er moe uit.
...
Je lijkt niet op mijn vader. Niet dat geweld en die opgekropte woede. Meer mijn moeder, gek is dat. Dat onverzettelijke, maar zonder trots rond te lopen.
...
Ik had kinderen met jou willen hebben. Kwam je toch net te laat in mijn leven. Dat kan ik je niet kwalijk nemen. Ik kwam net zo goed te laat in jouw leven. Nou ja, bijna te vroeg, je was nog niet gescheiden. Wat een gedoe allemaal.
...
Wat was je toch een lieverd! Nog steeds, denk ik. Maar dit is niet makkelijk voor jou om je lieve kant te laten zien. Je probeert het wel. Kun je zien dat ik van je houd?
...
Ga je de linnenkast weigeren? Maar hij is toch voor mij? Ik snap je niet.
...
Je wilt dingen wegdoen. Ik geloof dat je denkt dat ik niet meer terugkom. Ik geloof echt dat jij denkt dat dit het einde is.
...
Je wilt kleiner gaan wonen. Ja, dus je denkt dat ik... Maar je zegt het niet.
...
Ach, hou je kop. Laffe lulhannes. Flikker op. Flikker op! Kun je dat niet zien aan mijn ogen?

...
Ja, tot morgen. 

***

4. AMIR - Mariano Perez van Poecke

perezvanpoecke@me.com

Voorzichtig, alsof hij een monster vreest in het vertrek dat hij betreedt, duwt Amir de deur van de kamer een stukje open. De deur piept, er zit een gelig ruitje van gerimpeld glas in. De piep klinkt hol in de ruimte erachter. Een muffe geur perst zich door de kier naar buiten. Hij loert naar binnen, zijn klamme hand op de deurgreep. Op de grond ligt grijs linoleum, aan de overzijde stroomt daglicht door een raam naar binnen. Verder lijkt de kamer leeg te zijn. Maar hij kan vanuit zijn positie niet alle hoeken zien. Nog steeds op zijn hoede -het Nederlandse woord voor booby trap kent hij nog niet- opent hij de deur een stukje verder. Zijn vader, die achter hem is komen staan, legt een hand op zijn schouder. Amir schrikt van de aanraking en stapt achteruit. Hij kijkt omhoog, zoekt bevestiging in zijn vaders blik dat het veilig is om naar binnen te gaan. De glimlach op zijn gezicht stelt hem voorlopig gerust. Hij duwt de deur nu helemaal open en kijkt de kamer in. 

 

Net als hij naar binnen wil gaan, klinkt er plotseling een indringend, loeiend geluid. Het komt van buiten en het zwelt aan. Amir stuift de overloop op en gaat ineengedoken op de grond zitten met de handen op zijn oren. Hij maakt zich zo klein mogelijk, zoals hem geleerd is en trilt plotseling over zijn hele lichaam. In zijn hoofd ziet hij mensen in paniek alle kanten op vluchten. Arabische gillen en geuren komen weer tot leven in hem. Een sympfonie van doodsangst. 

 

Hij hoort het grommen van bommenwerpers, metalen vogels uit de hel met clusterbommen op hun buik geplakt. Grauwe tonnen met een zilveren kop waarvan de inhoud uitsluitend gemaakt is om de huid van mensen te doorboren en botten te versplinteren. Brokken staal die zoveel snelheid hebben dat ze hoofden afrukken, ledematen verbrijzelen en dwars door buiken gaan. Het bloed van kinderen gutst en spuit naar buiten, er vormen zich plassen die uiteindelijk opgezogen worden in de stoffige, okerkleurige grond. Beton wordt uiteen gereten, een wereld stort in voor zijn ogen. Zij die het niet halen. De weerzinwekkende stank van ontbinding. Hij heeft ergens een been zien liggen zonder lichaam eraan. In zijn nachtmerries hinkt een man door de puinhopen op zoek naar zijn been. Een vader die neerknielt bij het lichaam van zijn zoontje. Dagen die niet zouden mogen bestaan. Hij weet niet zeker of de mensen hier het zullen begrijpen. 

 

Het geluid stopt, hij haalt de handen aarzelend van zijn oren en voelt weer de geruststellende hand van zijn vader op zijn schouder. Blijkbaar is zijn vader het bang zijn al een beetje verleerd. Amir staat weifelend op, er staan tranen in zijn ogen. 

 

Tegelijk beginnen de sirenes buiten weer te loeien. Amir laat zich onmiddellijk weer op de grond zakken. Ze komen naderbij. Het eerste betrof nog een vals alarm, of het was de luchtafweer die als een vuurpijl krijsend het dodelijke projectiel uit de lucht schoot. Maar nu is het menens. Hij moet naar buiten, hij wil niet creperen onder een laag puin. Hij staat op en wil de trap af rennen, maar zijn vader houdt hem tegen. 

‘Amir, er is niets aan de hand jongen. Het is geen luchtalarm wat je hoort.’ Zijn diepe basstem klinkt opvallend hoog, wat de geloofwaardigheid niet ten goede komt. 

 

Amir haalt aarzelend de handen van zijn oren en kijkt naar zijn vader die op zijn knieën naast hem zit. De stof van zijn bruine corduroy broek is dun op de knieën. Buiten huilen de sirenes terwijl hij in zijn vaders blik enige geruststelling zoekt. Zijn vader kijkt hem aan, de schittering in zijn toffeebruine ogen is verdwenen sinds de oorlog begon. 

 

‘Het is de eerste dag van de maand, dan testen ze in Nederland het noodalarm. Er is echt niets aan de hand.’ Amir vraagt zich af hoe hij dat zo zeker kan weten. Hij kruipt bij zijn vader op schoot en vecht tegen de tranen, want een jongen van elf jaar huilt niet. Zeker niet als er niets aan de hand is. 

 

Buiten zwijgen plotseling de sirenes, de stilte die achter blijft is onwerkelijk en beangstigend, galmt na. Het is het verradelijke interbellum tussen aanzwellend gebrom en een ontelbaar aantal inslagen. Hij gelooft nog niet dat het voorbij is, dat het gevaar is geweken. In zijn hoofd hoort hij nog steeds het gejank van het alarm, als een valse echo. Onheilspellend, de weerkaatsing van alles wat lelijk is. 

 

Amir staat na enige minuten op, sluipt weer naar de geopende deur en kijkt naar binnen. Buiten hoort hij een auto passeren, er fluit een vogel. Het is hier ook voorjaar. Dezelfde zon, vreemd idee. Niks aan de hand. Pomperdiedom. Hij praat zichzelf moed in en stapt het grijze linoleum op. Het voelt koel aan en kraakt een beetje onder zijn voeten. Het is de houten vloer die kreunt. Op zijn sokken schuifelt hij naar het raam dat eigenlijk uit twee ramen bestaat. Twee langwerpige ruiten die onafhankelijk van elkaar geopend kunnen worden, getuige de vier raamgrepen. Hij scant razendsnel de rest van de ruimte. Achter het glas ligt de nieuwe wereld met de voortuin en de straat waar hij zojuist de auto doorheen hoorde rijden. Behoedzaam schuifelt hij verder naar het raam. 

 

De lucht is hoog en lichtblauw. Hier geen gebouwen die lange schaduwen werpen en waar sluipschutters je met een afgeknepen knal in elkaar kunnen laten zakken. Aan de overzijde van de straat staat een rijtje soortgelijke huizen. Er groeit klimop tegen sommige muren, iemand maait een stukje gras ter grootte van een flink picknickkleed met een mechanische grasmaaier. Hij hoort de messen draaien in hun stalen behuizing. Een postbode duwt zijn kar enkele meters vooruit over de stoep en loopt de paadjes op die naar de voordeuren leiden. In elke brievenbus verdwijnt een pakje post. Amir’s huis heeft ook een paadje, zelfs twee. Met een hekje. Het hoofdpad loopt naar de deur, vertakt zich en loopt voor het grote raam van de woonkamer onder hem, om het huis langs, naar de andere tuin. Ze hebben een hoekhuis met wel twee tuinen. In de achtertuin staat een grote kastanjeboom, waar hij al een keer in geklommen is. Als het bladerdek straks dicht genoeg is lijkt het hem een prima schuilplaats. 

 

Ze hebben eindelijk weer een huis. En deze kamer wordt zíjn slaapkamer. Helemaal voor hem alleen.Voor het eerst van zijn leven zal hij een kamer hebben zonder deze met zijn zusje of broertje te hoeven delen. Hij had ‘m trouwens graag met zijn broertje gedeeld, maar dat kan helaas niet meer. Said speelde aan de verkeerde kant van de straat de dag dat de doffe knal klonk. De kogel was vast niet voor hem bedoeld. Hij wil er het liefste niet aan denken, net als aan dat been. Toch is het dag en nacht bij hem en geen verzachtende woorden van zijn ouders kunnen daar verandering in brengen. Met zijn armen op de vensterbank kijkt hij de vredige wereld in waar hij in is beland. Hij hoort zijn vader de kamer binnen komen, het hout kraakt weer en verraad zijn komst. 

 

‘Hoe vind je je nieuwe kamer?’ 

 

Amir draait zich om en inspecteert de lege ruimte nog maar eens goed. Tegen de muren zit behang, hier en daar zijn er gaten zichtbaar. Kleine kogelgaatjes geven de plekken aan waar ooit spiegels, plankjes en schilderijen tegen de muren waren bevestigd. In een bovenhoek heeft vocht een goudgele punt in het behang gedrukt. 

 

‘Gaaf’, oordeelt hij in antwoord op zijn vaders vraag. Hij praat Arabisch maar binnenkort zal hij ook dit woord in het Nederlands kennen. Zijn vader heeft hem verteld dat ze voorlopig niet terug kunnen naar Syrië. Ze zullen hier een tijdje blijven wonen. Als hij zich dat voorstelt voelt hij in zijn buik en borst iets dofs, alsof iemand op een trommel slaat met een overrijpe banaan. 

 

De gedachte splijt hem in tweeën. Soms lijkt het alsof een deel van hem in Syrië achter is gebleven. Hij mist zijn vriendjes, de wereld die lange tijd zo vanzelfsprekend was. Zíjn wereld. In gedachten beklimt hij met zijn vader de citadel van Aleppo om zich even een machtige sultan te voelen. De lauwe wind uit de heuvels streelt zijn huid. In zijn dagdroom ontbreken de luchtaanvallen. Hij wil terug naar zijn stad. Een avondwandeling op vrijdagavond met het hele gezin langs de oevers van de Qwayq-rivier, koffie en ijs op het door honderden lichtjes verlichte terras van Shahba Rose. De herinneringen voelen als een open wond die zich niet laat hechten. 

 

Amir hoort een harde tik ter hoogte van zijn knieën en doet een stap achteruit. Hij bekijkt de gaskachel die onder het raam tegen de muur staat, er brandt een blauw vlammetje in een kleine opening in het midden van het apparaat. De kachel laat soms een tik horen en gloeit aangenaam.

 

Hij keert terug naar Aleppo, laat de citadel achter zich en passeert de grote moskee. De realiteit kantelt nu piepend in denkbeeldige scharnieren, de lucht kleurt donkergrijs. De straten zijn verlaten, het stof is neergedwarreld. Door het gruis waart de geest van God, die blijkbaar wegkijkt. Hij is nu alleen in het hart van de stad, tussen zandkleurige ruïnes en brokken beton waar stalen, saffraankleurige draden uitsteken, tussen het puin groeit onkruid met gele bloemetjes. 

 

Plotseling begint zijn lichaam vanuit zijn middenrif te schudden. Hij huilt. Zijn vader slaat zijn armen om hem heen en zwijgt. Hij lijkt te weten waar Amir aan denkt. Amir kijkt omhoog. Over zijn vaders wang rolt een traan die hij in zijn zwarte baardje ziet verdwijnen. Hij heeft hem één keer eerder zien huilen. Even heerst er stilte, alleen de kachel zoemt zachtjes. Tik. 

 

‘Kom Amir, we gaan een ijsje halen’, klinkt het schor. 

 

De jongen veegt de tranen met zijn onderarm uit zijn ogen en staat meteen op. Hij rent de trap af en ziet zijn moeder die in de keuken met een andere vrouw staat te praten. Misschien de buurvrouw. Zijn moeder praat de nieuwe taal, maar lang niet zo goed als hij. Hij schaamt zich een beetje voor haar. 

 

‘Mam, papa en ik gaan een ijsje halen!’ Hij spreekt Arabisch om haar niet in verlegenheid te brengen en omdat de nieuwe taal een onoverbrugbare afstand lijkt te scheppen. Ze aait over zijn hoofd en glimlacht. Kan ze zien dat hij gehuild heeft? 

 

Zijn vader fluit kort naar hem en houdt de voordeur open. Hij stapt naar buiten, het paadje op. Zou de postbode straks het lage hekje wel open krijgen of zou hij er gewoon overheen stappen met zijn lange benen? Hij draait zich om en kijkt omhoog naar de ramen van zijn slaapkamer. Zijn vader heeft de ramen op een kier gezet om de frisse lentelucht binnen te laten. De zon glinstert in een van de ruiten en verblindt hem, even ziet hij allemaal zwarte zonnen. Zijn vader wil weg, maar Amir wil weten wat de postbode doet. De lange man heeft een mooi beroep, de mensen kijken uit naar zijn komst en niemand vertelt hem hoe snel hij moet lopen. Maar Amir wordt geen postbode. Later wordt hij schrijver, dat weet hij al. Of dichter, of allebei. Naar buiten kijken, naar de wereld en vastleggen wat er gebeurt. Hier of in Aleppo of in Beiroet of Parijs. Schrijven kan je immers overal en je voorstellingsvermogen heb je altijd bij je. Maar hij zal beginnen op zijn nieuwe kamer, zodra hij een mooi notitieschrift en een buro heeft. Het buro moet voor het raam komen. Dan zal hij schrijven over zijn leven in Syrië. Dan zal het in ieder geval nog ergens bestaan. 

***

5. SPIEGEL - Judith de Graaf

www.judithdegraaf.nl

Voor mijn ouders heb ik het verzwegen, maar ik dank deze kamer aan mijn kleur. In dit huis zitten we te springen om een beetje diversiteit, zo begon het bericht waarin ik werd uitgenodigd om te komen hospiteren. 

Dat kwam goed uit, want ook ik snak naar verandering, en een kamer is een kamer. In deze stad duurt het meestal een eeuwigheid voor je wat vindt, zeker in de buurt van het centrum, áls je al wat vindt.

Mijn beste vriendin Helen gunt het mij, echt, maar ze is ook jaloers, dat heeft ze eerlijk toegegeven.

 

Vandaag helpt ze me verhuizen. Zij heeft haar rijbewijs, en haar vader heeft ons zijn busje geleend. Met zijn tweeën kunnen we het prima aan. De bus is voor driekwart leeg. In de smalle, kleine kamer passen, naast de twijfelaar die ik kon overnemen van de vorige bewoonster, alleen nog een tafeltje, dat ook dienst kan doen als bureau, en een stoel. Mijn kleren kunnen in de inbouwkast. Planken voor studieboeken moeten er nog komen.

Ik voel veel liefde en respect voor mijn ouders, net als voor mijn broertjes en zusjes. Vooral als ik niet thuis ben houd ik heel veel van ze. We zijn met zijn achten. De wc is de enige plek waar ik alleen kan zijn met mezelf, maar als je een wc met zeven mensen moet delen kom je ook daar meestal niet verder dan één bladzijde, voordat er iemand aan de deur rammelt. Ik heb geleerd om razendsnel diagonaal te lezen. Soms wil ik ze slaan, mijn schattige kleine zusjes, die vroeg in de ochtend op mijn buik springen, in mijn oor roepen, mijn oogleden proberen open te trekken als ik uit wil slapen. Iedereen wil iets van me, de godganse dag. En dan de herrie. Mijn broertjes die urenlang hun voetbal tegen de buitenmuur schoppen, kedeng, kedeng, kedeng. Mijn moeder die rammelt met potten en pannen in de keuken. Waarom moet ze zoveel geluid maken bij het koken? Waarom schreeuwt ze altijd tegen de jongens? Ik wil stilte en rustige conversatie, in plaats van bevelen, lachsalvo’s en woede- uitbarstingen. Ik kan mezelf niet horen denken in dat huis. Als ik iedereen helemaal zat ben verstop ik me onder mijn dekbed, totdat mijn zusjes het gierend van de lach van me aftrekken.

 

We sjouwen de eerste lading spullen de trap op. Ik til zelf mijn pronkstuk: een vintage staande passpiegel, op koningsdag gekocht. Ik zet hem tegen de muur, in de kamer die nu van mij is. De aangrenzende keuken stinkt; er staat een open vuilniszak naast de vuilnisemmer, het aanrecht staat vol met beduimelde glazen en aangekoekte borden, in de gootsteen staat een pan te weken in goor water. Ook de kamer zelf oogt sjofel; het versleten zeil op de vloer, de scheuren in het behang, de armoedige gordijnen, de krapte. Zelfs het uitzicht is deprimerender dan ik me herinner. De huizen aan de overkant zijn grauwgrijs, er staan geen bomen in de straat, een bus dendert onder het raam voorbij. In mijn hoofd en verhalen had ik de kamer veel te mooi gemaakt. Ik probeer uit alle macht om mijn teleurstelling weg te slikken, maar als ik Helen aankijk lukt dat niet meer. Ze knijpt bemoedigend in mijn schouder: ‘Een niet ingericht huis lijkt altijd kleiner en lelijker, volgens mijn vader.’ Haar vader is aannemer. ‘Je kunt de muren verven in een mooie pasteltint, en een leuk oud kleed op de vloer leggen. Ik zal je helpen. En een paar planten, dat scheelt ook, die kunnen we straks kopen. Eerst maar eens de rest van je spullen naar boven sjouwen.’

Als de vloer is gedweild, het bed is opgemaakt met de nieuwe lakens direct uit het plastic, mijn kleren opgevouwen in de kast liggen en de boeken op stapels in de vensterbank, pakt Helen de theepot die ik van huis heb meegenomen om thee te zetten. ‘Ieuw, mijn schoenen blijven plakken aan de vloer hier,’ roept ze vanuit de keuken, precies op het moment dat er iemand de trap op komt rennen. 

 

‘Hé,’ hoor ik een meisjesstem, ‘jij bent niet die nieuwe, toch?’ 

 

‘Nee, die nieuwe is in haar kamer.’ Helen slaagt er nooit in om haar afkeuring te verbergen, daarom hou ik van haar.

 

Een blond meisje met griezelig regelmatige trekken en een piepklein neusje, haar atletische lijf in sportkleren gehuld, blijft staan op de drempel en neemt me op. Ze knijpt haar ogen dicht alsof ze tegen de zon in kijkt, maar dat kan de teleurstelling in haar blik niet verbergen. Had ze een hijab verwacht, vlechtjes misschien, of ben ik juist te exotisch voor haar? 

 

‘Hai, hai, even snel want ik moet dóór, maarre…ik ben dus Pippa, je overbuuf. Ik was er niet bij tijdens het hospiteren, want toen zat ik in

Ecuador, vandaar. Sorry voor de troep, ruim ik later op, echt. Zie je!’

Pippa? Jezus. ‘Komt goed, joh, geen probleem,’ hoor ik mezelf mompelen, maar ze is al weg.

 

Helen trekt een gek gezicht als ze met de thee binnenkomt. Pippa is niet ons type.

 

Later delen we een diepvriespizza, opgewarmd in de walmende oven. Ik zit op het bed, Helen op de stoel. Ik voel haar tegenzin om me alleen te laten, maar haar vader heeft de bus nodig. 

Ze omhelst me steviger dan normaal. ‘Slaap lekker straks, voor het eerst in je nieuwe kamer!’ Ik duw haar bijna de deur uit, omdat ik voel dat ik zal gaan huilen. 

 

Als ik sta af te wassen komt Charlie naar boven om iets uit de koelkast te pakken. Haar vond ik het aardigst, tijdens de hospiteeravond. Ze lijkt verbaasd om me te zien: ‘Hé, je bent er al!’ En, na een blik op het aanrecht: ‘Wat doe jij nou, sta je serieus Pippa’s zooi af te krabben? Pippa is mega-lui, je moet niet haar slaaf worden, hoor!’ Geschrokken slaat ze haar hand voor haar mond. ‘Oeps, fout woord.’

Ik heb geen idee wat ik moet zeggen, ik wil het liefst verdwijnen. Opeens voelen al mijn bewegingen verkeerd.

Charlie ratelt het ongemak weg: ‘Heb je al gegeten? Anders kun je misschien beneden met ons mee-eten?’

‘Oh, bedankt, maar ik heb al een pizza op.’

‘Oké, ander keertje dan deze week, ja?’ En weg is ze.

 

Ik probeer te leren voor een nieuw vak, gezeten op mijn bed. De letters dansen voor mijn ogen; het leek zo’n interessant boek, maar er dringt geen woord tot me door. De ijskast zoemt doordringend, in de verte slaat een deur dicht, de bus rijdt elke tien minuten langs. Achter de onbekende geluiden dreigt een oorverdovende stilte. Veel vroeger dan anders ga ik naar bed, waar ik wakker lig en de onheilspellende schaduwen op het plafond bekijk, mijn armen en benen wijd uitgespreid. Ik voel me klein, in zo’n groot bed heb ik nog nooit alleen geslapen. Blijkbaar ben ik toch in slaap gevallen, want ik word gewekt door de schemering, de gordijnen zijn hier dunner dan thuis. Meteen ben ik klaarwakker. Ik lijk te worden aangestuurd door iets buiten mezelf als ik wat kleren aanschiet, buiten mijn fiets pak en razendsnel de kortste weg naar de andere kant van de stad afleg, alsof de duivel me op de hielen zit. Tijd om mijn fiets op slot te zetten neem ik niet. Hijgend sta ik voor de deur, zachtjes draai ik de sleutel om. Binnen ruikt het vertrouwd, naar lekker eten en mijn moeders haarolie. Onhoorbaar sluip ik de trap op, daar ben ik het afgelopen jaar heel goed in geworden. Boven blijkt dat mijn bed al geconfisqueerd is door het zusje onder mij. Als ik voorzichtig naast haar onder de deken schuif, mummelt ze even in haar slaap. 

 

Ik voel opeens hoe moe ik ben, maar de verlangde ontspanning blijft uit, mijn hartslag komt niet tot rust. In het donker zie ik de contouren van de kleintjes. Ik ruik de vage luierlucht van het nakomertje van ons gezin, dat het verdomt om zindelijk te worden. Ons andere zusje ligt op haar matrasje op de grond. Altijd op haar buik, kontje omhoog, snurkend. Dan bekijk ik, liggend op mijn zij, mijn lievelingszusje, naast me in mijn oude bed. Ze lijkt sprekend op mij toen ik haar leeftijd had. De onschuldige ronde wangen, de lange wimpers die ze altijd wil krullen met de wimpertang, precies zoals ze mij ziet doen, het hartvormige mondje dat overdag geen seconde stilstaat, en nu ontspannen halfopen is. Voorzichtig geef ik haar een kus op haar neus. Er drupt een traan op haar voorhoofd, die ik voorzichtig wegveeg. Als ze haar ogen lodderig opent leg ik een vinger tegen mijn lippen, ‘sssst’ waarna ze gehoorzaam verder slaapt. Buiten beginnen de vogels te zingen. In mijn veel te wakkere hoofd popt een onontkoombaar inzicht op: voorlopig zal ik nergens thuis zijn. Ik maak mijn dunne gouden kettinkje los en doe het, terwijl ik het kussen onder haar nek naar beneden duw, heel voorzichtig bij mijn zusje om. Zij is nu de oudste.

Dan laat ik me uit bed glijden en verlaat, even geruisloos als ik ben gekomen, het huis.

Terug neem ik niet de gewone route naar het centrum, maar een omweg, door een deel van de stad dat ik niet goed ken. Ik doe mijn best om te verdwalen, maar dat lukt niet, mijn richtinggevoel is te goed. Aan de rand van het park passeer ik een zwerver, die bezig is om de lappen en stukken karton waaronder hij op een bankje heeft geslapen, in een roestig winkelwagentje te stapelen. Ik wil hem vragen hoe hij het uithoudt, dit leven, maar ik durf niet en fiets door.

 

Terug gekomen tref ik het huis nog in diepe rust. In de keuken zet ik koffie. Ik probeer gewóón te doen; niet zachtjes, maar ook niet expres luidruchtig. De beker koffie neem ik mee naar mijn kamer en ik draai de deur op slot, met als enige reden dat ik dat nu kan. Voor de spiegel ga ik rechtop staan en observeer mezelf. Ik span me in om te kijken met de ogen van een onbekende, een willekeurig iemand die mij voor het eerst te zien krijgt. Slechts een glimp vang ik op van die nieuwe, verse mij, voor ze me alweer ontglipt. 

‘Hello, who are you? Ik bedoel, écht?’ vraag ik hardop aan de jonge vrouw die me ernstig aankijkt. Ik raak haar gezicht aan en knijp in haar wang tot het pijn doet. 

‘Doe even normaal, joh.’ Ze haalt haar schouders op. 

Ik grimas: ‘Ik heb geen idee wie jij eigenlijk bent.’ Een hysterisch gegrinnik ontsnapt me. ‘Tijd om elkaar te leren kennen.’ Ik neem een slok van de veel te bittere koffie; ook koffiezetten moet ik nog leren. 

Dan plof ik op bed en sla mijn nieuwe boek open.

***

SHORTLIST

* Atelier op zolder - Heleen Croonen

Bezield - Janneke Volkerink

Groene vloerbedekking - Annemarie Vermeulen

* Kom binnen - Iris Spaargaren

* Somewhere - Verleyn

***

Nog een paar schrijfplekken vrij vanaf 18 mei ...

bottom of page